Historische wandelroute

Startpunt: kruising Lyclema’s Leantsje en Súdkant, nabij het bushokje.

Bord 1 (startbord met route, moet nog geplaatst worden) en bord 2.

Loop in westelijke richting. Na circa 300 meter kruist u de Sparstrjitte. Op de hoek, aan uw rechterhand, ziet u bord 3.

Steek de Sparstrjitte over om op de Súdkant te blijven en vervolg in westelijke richting. Na circa 200 meter (vóór het object met de lantaarnpalen) vindt u aan uw rechterhand bord 4.

Steek de kruising over. Loop circa 200 meter verder in westelijke richting over de Wjitteringswei, tot het einde van de bebouwde kom. Op de gevel van Wjitteringswei nr. 116 vindt u bord 5.

Keer om en loop in oostelijke richting over de Wjitteringswei het dorp weer in. Na circa 400 meter komt u bij de restanten van een oude sluis. Hier vindt u bord 6.

Vervolg over de stoep in oostelijke richting op de Wjitteringswei. Na circa 100 meter ziet u aan uw linkerhand huize Nieuw Bornia. Hier bevindt zich bord 7.

Loop verder in oostelijke richting. U bent nu op de Andringastrjitte. Ter hoogte van nr. 12 (tegenover de doopsgezinde kerk) vindt u op de muur bord 8.

Loop verder in oostelijke richting. Na circa 100 meter, op de hoek bij eetcafé De Gondel, vindt u bord 9.

Loop in oostelijke richting naar de grote kerk. Aan de linkerzijde van de toren vindt u bord 10.

Vervolg uw weg in oostelijke richting over de Tsjerkebuorren. Bij Tsjerkebuorren 6 (aan uw rechterhand, tijdelijk op het hekwerk) vindt u bord 11.

Blijf aan de rechterzijde van de weg. Bij de kruising met de Skoallereed, op het straatnaambord, vindt u bord 12.

Loop door in oostelijke richting over de Tsjerkebuorren. Bij de ingang van het Bernesintrum vindt u bord 13.

Vervolg uw weg in oostelijke richting over de Tsjerkebuorren. Steek de weg over. Op de paal van de doodlopende straat vindt u bord 14.

Loop verder de doodlopende straat (Tsjerkebuorren) in tot aan het bankje bij de rivier de Boarn (Fries: de Boarn). Hier bevindt zich bord 15.

Loop dezelfde weg terug tot de ingang van de school. Sla hier rechtsaf richting Brittenburg. Op de schutting aan de rechterzijde bevindt zich bord 16.

Loop de steeg door naar het water. Nabij het ‘stap’ bevindt zich bord 17.

Loop met de weg mee naar links. Na circa 25 meter ziet u aan uw linkerhand bord 18.

Loop verder naar het bruggetje, steek dit over en sla linksaf. Loop circa 200 meter over de Weaze, tot vlak voor de grotere brug. Op de zijgevel van Weaze nr. 37 bevindt zich bord 19.

Steek het kruispunt over en vervolg uw weg over de Weaze. Ter hoogte van nr. 30 (het Folkertsmahûs) staat aan de waterzijde bord 21.

Vervolg uw weg over de stoep. Ter hoogte van Weaze 25 vindt u bord 22.

Loop verder over de Weaze en rechtdoor richting Westein. Ter hoogte van nr. 10, aan de waterzijde, staat bord 23.

Loop verder over het Westein. Ter hoogte van nr. 10 bevindt zich (achter het hekje) bord 24.

Vervolg de weg over het Westein in westelijke richting tot het einde van het dorp. Op de gevel van het zwarte houten hok bij Westein 1001, aan de linkerzijde van de weg, bevinden zich bord 25 en bord 26 (bord 26 is een startbord met route en moet nog geplaatst worden).

Loop terug over het Westein en de Weaze in oostelijke richting tot het eerste bruggetje. Loop over de brug en sla direct linksaf. Ter hoogte van Achterom 7 (Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema) vindt u, in het informatiebord, bord 27.

Vervolg uw weg langs het water richting de grotere brug. Aan de overzijde van de weg bevinden zich twee borden: bord 20 en bord 28.

Vervolg uw weg over het Achterom langs het water richting het oostelijke kleine bruggetje. Op het witte huis op de hoek, Brittenburg 1, bevindt zich bord 29.

Steek het bruggetje over en sla rechtsaf om uw weg in oostelijke richting over de Weaze te vervolgen. Ter hoogte van nr. 55 bevindt zich aan de waterzijde bord 30.

Vervolg uw weg in oostelijke richting over de Weaze. Aan de waterzijde ter hoogte van Weaze 66 bevindt zich bord 31.

Loop verder over de Weaze. Bij de kruising met Ald Swettebuorren, op de gevel van Weaze 73, bevindt zich bord 32.

Loop verder in oostelijke richting over de Weaze en vervolg op het Eastein. Ter hoogte van Eastein 5, aan de waterzijde bij het ‘stap’, volgt bord 33 (dit bord zal geplaatst worden nadat de winnaar van 75 jaar Gondelvaart bekend is gemaakt).

Vervolg uw weg over het Eastein. Loop over het havenbruggetje richting de grote brug. Op het bebouwde-kom-bord bevindt zich bord 34 (startbord met route, moet nog geplaatst worden).

Loop verder in de richting van de grote brug. Deze brug is een kunstwerk op zich. Aan beide zijden van het water bevinden zich twee bordjes met een QR-code met meer informatie over het kunstwerk. Deze bordjes zijn niet genummerd, maar worden in dit document aangeduid als bord 35 (2x).

Loop onder de brug door, vervolgens eroverheen en er weer onderdoor. Blijf de weg volgen tot u bij de Tsjerkebuorren komt. Steek de Tsjerkebuorren over en vervolg uw weg over de Súdkant. Na circa 100 meter bevindt zich aan uw rechterhand de kruising met de Skoallereed. Hier vindt u bord 36.

Vervolg uw weg over de Súdkant. Na circa 200 meter bent u weer bij het startpunt.

Tuin van de Andringastate
De tuin van de voormalige Andringastate is aangelegd in 1768, toen Augustinus Lycklama à Nijeholt de Andringastate aanzienlijk liet verbouwen. Het werd een tuin naar zijn tijd, met waterpartijen en kleine hoogteverschillen.

Na de afbraak van de state in 1894 kwam ook de tuin al snel in verval. De grond werd verkocht. De komst van de weg (nu Súdkant) was het definitieve einde. De foto zou zijn gemaakt in 1886. De state was toen al in bezit van de Hervormde Gemeente. Het hoofdgebouw werd onder andere gebruikt als pastorie. In dat geval zou de goed geklede man naast de tuinmannen de toenmalige predikant ds. E.J. Homoet (1886–1887) kunnen zijn, maar zekerheid daarover bestaat niet.

De boomgrens die u ziet, geeft aan hoe diep de aanvankelijke tuin van de Andringastate was.

Minke Kuiperssingel
De boomgrens geeft de Minke Kuiperssingel aan, onder de inwoners van Aldeboarn beter bekend als de Bossingel. Minke Kuipers werd geboren op 26 juli 1866 en overleed op 4 augustus 1954.

In 1925 was de inpoldering van de Súdermieden een feit. Daarmee kwam ook de daar gelegen ijsbaan droog te vallen. Er was behoefte aan een nieuwe ijsbaan, maar dan wel het liefst dichter bij het dorp. De dames Kuipers waren niet onbemiddeld.

Zij hadden een aantal huizen in hun bezit, maar ook land. Tijdens de algemene ledenvergadering van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, departement Aldeboarn (het NUT), van 8 oktober 1926 kon de voorzitter meedelen dat de gezusters Kuiper een groot deel van het hun toebehorende land tussen de Bossingel belangeloos beschikbaar stelden ten behoeve van een ijsbaan. Als voorwaarde werd gesteld dat de ijsbaan, met name voor het financiële gedeelte, onder toezicht zou worden gesteld van het NUT.

Binnen enkele dagen volgde de oprichting van de vereniging ‘De IJsbaan’ en kon worden begonnen met het grondwerk, mede dankzij een renteloos voorschot van ƒ 500,– verstrekt door Minke Kuipers. Na het overlijden van Minke Kuipers verklaarden de erfgenamen zich bereid de Bossingel, plus ruim 5 hectare land, tegen een billijke prijs aan het NUT te verkopen. Daarmee gaven de erfgenamen gehoor aan de wens van Minke, vastgelegd in haar testament, dat de ijsbaan te allen tijde moet blijven bestaan.

In 1995 is besloten, ter nagedachtenis aan Minke Kuipers, de Bossingel om te dopen tot Minke Kuiperssingel.

Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, departement Oldeboorn
Tijdens de wandeling komt u regelmatig het NUT tegen. Daarom hier een korte uitleg. In de 18e eeuw bracht sociale betrokkenheid een predikant uit Monnickendam, Jan Nieuwenhuizen, en enkele stedelingen ertoe een genootschap te stichten dat zich richtte op de bevordering van het algemeen volksgeluk, door initiatieven te ontplooien op het terrein van volksontwikkeling.

Op 16 november 1784 vond de oprichting plaats. Het doel was om mensen die daartoe zelf niet de mogelijkheid hadden, te helpen kennis te verwerven door hen te voorzien van (school)boeken die in eenvoudige taal geschreven waren. Het idee van Jan Nieuwenhuizen werd concreet gemaakt door zijn zoon Martinus, die arts was in Edam.

Op 1 augustus 1815 werd in Aldeboarn een departement van het NUT opgericht. Als departement van de ‘Maatschappij’ is het NUT Oldeboorn in de vorige eeuw opgeheven. Het Nut Aldeboarn is als zelfstandige vereniging nog wel actief. In Fryslân zijn nog vijf officiële departementen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen: Bergum, Buitenpost, Gorredijk e.o., Leeuwarden en Wolvega.

Lútzen Bottema werd geboren op 7 februari 1887 en overleed op 24 januari 1972. Hij was de drijvende kracht achter de oprichting van de SPAR-afdeling Oldeboorn. In 1914 nam Lútzen de winkel over die in 1880 door zijn vader was opgericht. In het SPAR-gebouw is een glas-in-loodraam aanwezig dat herinnert aan de oprichting.

Deze winkel stond aan de Weaze, waar nu de Broekhústerwei is. Naast de winkel had Bottema ook een grossierderij. Hij leverde aan winkeliers in Aldeboarn, maar ook in omliggende dorpen zoals Tijnje en Terwispel. In de jaren dertig van de 20e eeuw zag Bottema het voortbestaan van al die kleine winkeltjes al in gevaar komen door de opkomst van de grootwinkelbedrijven.

In 1932 werd door de heer Van Well in Zoetermeer de SPAR opgericht. Zestien kleine winkeliers in en rond Zoetermeer staken de hoofden bij elkaar. Het werd het eerste vrijwillige filiaalbedrijf van Nederland.

Ook Bottema zag hier wel iets in voor Aldeboarn. Begin 1934 waren er al twintig winkeliers die vertrouwen hadden in zijn plannen. Op 8 maart 1934 vond de eerste bijeenkomst plaats in ‘Ons Huis’, het voormalige gemeentehuis. Op 15 maart 1934 werd de SPAR-afdeling Oldeboorn opgericht. In juli van datzelfde jaar waren er inmiddels 110 winkels bij aangesloten.

De SPAR groeide aan de Weaze al snel uit haar jasje. De administratie was inmiddels ondergebracht in ‘Ons Huis’ en in de Mounesteech werd het pakhuis van Hooisma in gebruik genomen. In 1953 werd besloten een nieuw distributiecentrum te bouwen. Op 15 september 1953 betrok de SPAR, inmiddels als groothandel, het gebouw aan de Súdkant.

De oude panden aan de Weaze waren verkocht aan de gemeente. Met de afbraak van deze panden en het voormalige gemeentehuis werd de ontsluiting van het Lege Midden gerealiseerd. In de jaren zestig van de 20e eeuw werd het distributiecentrum verder uitgebreid. In 1985 werd alles verplaatst naar Gieten en kwam er een einde aan SPAR Aldeboarn: een halve eeuw lang een begrip.

Jancko Douwama werd geboren op Douwamastate, naar alle waarschijnlijkheid in 1482. Ook 1483 wordt als geboortejaar genoemd; zekerheid bestaat daarover niet. Hij overleed in 1533 in Vilvoorde, waar hij gevangen werd gehouden. Op dat moment had er nog geen berechting plaatsgevonden.

Op de plaats waar de state heeft gestaan, is in 1986 een opgraving gedaan. Daarbij zijn onder andere muurresten gevonden. Eén van deze resten is opgebouwd en te zien in Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema. Het opgegraven materiaal was echter onvoldoende om een plattegrond van de state te reconstrueren. De fantasieschets op het informatiebord geeft weer hoe de situatie er rond 1500 uit zou kunnen hebben gezien, gezien vanuit het zuidwesten van Aldeboarn.

Het portret van Jancko Douwama komt uit de Topografische Atlas (Historisch Centrum Leeuwarden). De afbeelding is geschilderd door J.H. Matthijssen in 1834 naar een origineel dat afkomstig was van Holdinga State te Anjum. Toen Matthijssen het schilderde, moet het portret zich op Martena State te Cornjum hebben bevonden. Er bestaat onduidelijkheid over welke Jancko Douwama hier precies is afgebeeld. Afgaand op het wapen links op de afbeelding zou het Jancko Douwama van Langweer betreffen.

Het wapen van Jancko Douwama uit Aldeboarn bestaat uit een Franse lelie en een maansikkel. Op het graf van Teth Luursma, echtgenote van Jancko Douwama, in de Doelhôfkerk treffen we naast de maansikkel en de Franse lelie ook een halve adelaar aan. Hoe deze beide wapens bij dezelfde Jancko Douwama horen, is te lezen in het Stamboek voor den Frieschen Adel (Tresoar Leeuwarden).

Jancko Douwama is jarenlang een ‘omstreden figuur’ geweest. De één zag hem als verrader, de ander als nationalist en strijder voor de oude Friese vrijheid. Inmiddels is uit diverse publicaties duidelijk geworden dat Jancko Douwama bepaald geen verrader is geweest. Geboren rond 1482 is hij in gevangenschap overleden te Vilvoorde (België) in 1533.

In gevangenschap schreef Jancko Douwama een vijftal egodocumenten over Friesland, zijn leven en zijn strijd. Deze documenten zijn via het secreet (toilet) naar buiten gesmokkeld. In 1849 zijn ze als Jancko Douwama’s Geschriften uitgegeven door het Friesch Genootschap. In 2003 verscheen bij uitgeverij Verloren een hertaling onder de titel Een man van eer, geschreven door Martha Kist en Harmen Wind. In Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema is een transcriptie te lezen van de pagina waarin Jancko Douwama zijn gevangenneming beschrijft. De naam van Jancko Douwama leeft tot op de dag van vandaag voort in het Kruis- of Doumaleen.

Kruis- of Doumaleen
Van het leen is geen stichtingsbrief overgeleverd. Uit recent onderzoek is komen vast te staan dat het leen al in 1520 bestond; dat jaar wordt dan ook als oprichtingsjaar aangehouden. Algemeen wordt aangenomen dat Jancko Douwama of zijn vader de stichter is. In 1543 lezen we in het Beneficiaalboek van Friesland (Tresoar Leeuwarden) dat de erven van Jancko Douwama de begevers van het leen zijn.

Tot 1832 werd toezicht gehouden door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utingeradeel, onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten van Friesland. In 1990 is het leen ondergebracht in een stichting. Het leen is nog steeds actief: studenten kunnen, onder bepaalde voorwaarden, een aanvulling op hun studiekosten aanvragen. De geschiedenis van het leen is beschreven in Geschiedenis van het Kruis- of Doumaleen te Aldeboarn (Martha Kist, 2008, uitgeverij Verloren).

Schieringers en Vetkopers
In de 14e en 15e eeuw stonden in Fryslân en Groningen twee partijen tegenover elkaar: de Schieringers en de Vetkopers. Dit was in de toenmalige landelijke situatie niet uitzonderlijk. Ook elders bestonden dergelijke tegenstellingen, zoals de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland en de strijd tussen Heeckeren en Bronckhorst in Gelre.

Over de herkomst van de namen Schieringers en Vetkopers bestaat veel onduidelijkheid en er zijn verschillende theorieën. De ware oorsprong is niet met zekerheid te achterhalen. Jancko Douwama verklaart in zijn geschriften dat deze partijen zijn ontstaan uit de tegenstelling tussen arm en rijk.

“De rijken werden Vetkopers genoemd, omdat zij de vette waar konden kopen. Vervolgens gaven de rijken op hun beurt de armen een naam en noemden hen Schieringers, omdat zij aanvankelijk met goede woorden hadden getracht te doen wat zij daarna met geweld deden. Want ‘schieren’ is in de Friese taal zoveel als ‘spreken’, en ‘schiering’ is hetzelfde als een relaas. Schieringen staat gelijk aan ‘veel grote woorden’. Nu is duidelijk dat wie het bezit van een ander wil hebben, zonder daar iets tegenover te stellen dan woorden, een goed spreker moet zijn.”
(Een man van eer, blz. 11)

Vier jaar voordat de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘De Torenmeter’ werd opgericht, had Aldeboarn al een particulier zuivelbedrijf. In 1896 werd aan de Puindijk zuivelfabriek De Pauw opgericht. Oprichters waren Gerben K. Dijkstra en Greult K. Dijkstra. Ook K. Dorhout zou bij de oprichting betrokken zijn geweest. Er werd onder stoomkracht hoofdzakelijk roomboter en kaas geproduceerd. In 1919 stortte de schoorsteenpijp in en werd een nieuwe, hogere schoorsteenpijp opgetrokken.

In 1921 zou de fabriek door brand zijn verwoest. Althans, dat is op te maken uit de aanvraag van de toenmalige eigenaar T.J. de Boer. Hij vroeg in dat jaar een vergunning aan voor het opnieuw opbouwen en herstellen van het bedrijf. In die aanvraag nam hij tegelijk een verzoek op tot uitbreiding van het bedrijf.

Het bedrijf beschikte over een directiewoning, gecombineerd met de administratie. Daarnaast was er een laadplatform en een loskade voor de melkontvangst. Verder waren er een pers-karn en een pekellokaal, een machinekamer en een ketelhuis met schoorsteenpijp, en opslag- en koelmogelijkheden. In sommige stukken wordt ook gesproken over een poedertoren.

In 1945 stopte de zuivelproductie. De boeren die aan De Pauw leverden, gingen echter niet allemaal over naar de coöperatie. Men bleef de particuliere sector trouw. Easterlittens (1889–1982) kreeg de eer om de melk te mogen verwerken.

In 1947 begon de Coöperatieve Zuivelfabriek in het pand van De Pauw een stroopfabriek. Tijdelijk werd er stroop uit suikerbieten vervaardigd, maar deze activiteit duurde niet lang. Na een aantal verbouwingen kreeg het pand uiteindelijk een bestemming als werktuigencoöperatie. Als laatste heeft Weidenaar hier zijn landbouwmechanisatiebedrijf uitgeoefend. Door ruimtegebrek moest Weidenaar met zijn bedrijf verhuizen.

De gemeente Boarnsterhim ontwikkelde in 2010 voor dit gebied een bestemmingsplan. In de gemeenteraadsvergadering van 11 januari 2011 werd het bestemmingsplan definitief aangenomen. De leegstaande gebouwen konden worden gesloopt en er werden vrijstaande woningen op het terrein gebouwd. De voormalige directiewoning annex administratie is, nu als woning, de enige overgebleven getuige van het particuliere zuivelbedrijf De Pauw.

In 1922 besluit het bestuur van de veenpolder De Deelen dat er een schutsluis met ophaalbrug moet komen om de verbinding tussen de Boarn en de Wetering veilig te stellen. Het bestuur van de veenpolder De Deelen werkte in de toenmalige gemeenten Haskerland, Heerenveen, Opsterland en Utingeradeel. Uit het bestek (nr. 3) weten we het een en ander over de schutsluis:

  • Doorvaarwijdte: 4,50 meter
  • Wijdte in de deurkassen: 5,20 meter
  • Wijdte van de schutkolk op Z.P.: 6,00 meter
  • Lengte van de sluiskolk tussen de hoofden: 21,50 meter
  • Lengte van het bovensluishoofd: 5,70 meter
  • Lengte van het benedensluishoofd: 10,70 meter
  • Bovenkant slagdorpels beneden Z.P.: 1,20 meter
  • Bovenkant van de watergordingen beneden Z.P.: 0,30 meter
  • Bovenkant van de sluishoofden boven Z.P.: 1,40 meter

Z.P. staat voor zomerpeil. In de zomer was en is het peil in de polder vaak hoger dan in de winter, omdat er in de zomer meer water nodig is. Daarom spreekt men van zomerpeil en winterpeil. Het peil, ook wel waterstand genoemd, kan worden afgelezen op een peilschaal.

Na 26 jaar kwam er in 1948 een einde aan de sluis. In de Heerenveensche Koerier van 18 augustus 1948 lezen we het volgende:

“Het Polderbestuur heeft geen belang meer bij een vaarweg door de Wetering. De omstreeks 1920 gebouwde sluis, welke een verbinding geeft tussen de rivier ‘de Boorn’ en de Wetering, zal in de toekomst op sommige plaatsen worden gedempt en de vaarten welke toegang geven tot de boerderijen zullen door dammen met duikers worden vervangen. De voormalige Wetering zal een tochtsloot blijven om overtollig water af te voeren, dat door het stoomgemaal te Haskerdijken op de boezem zal worden geloosd. Als straks de nieuwe verkeersweg Akkrum–Oldeboorn–Beets wordt aangelegd, zal waarschijnlijk een gedeelte van de Wetering worden gedempt en in de toekomst zal op de plaats, waar nu de Wetering nog aan oude tijden doet denken, een voortuintje van nieuwe huizen de plaats van de ‘Uthinge’ of ‘Witringe’ innemen, het vaarwater dat eens in de gemeente Utingeradeel van zoveel betekenis was.”

Aldeboarn maakte deel uit van de gemeente Utingeradeel. Bij de vorming van de gemeente Boarnsterhim op 1 januari 1984 verviel de gemeente Utingeradeel en werd Aldeboarn een dorp in de gemeente Boarnsterhim. Sinds 1 januari 2014 is deze gemeente opgeheven en valt Aldeboarn onder de gemeente Heerenveen. De gemeente Opsterland bestaat nog als zelfstandige gemeente. De gemeente Haskerland is opgegaan in de gemeente Skasterlân en sinds 1 januari 2014 in de gemeente De Fryske Marren.

Bij de afkondiging van de Gemeentewet van Thorbecke in 1851 komt er een einde aan het grietmanschap. De dan nog aanwezige grietmannen worden burgemeester. Een grietman was deels een voorloper van de huidige plattelandsburgemeester in de provincie Fryslân en deels de voorloper van een rechter, min of meer vergelijkbaar met de huidige kantonrechter. De grietmannen zorgden voor het bestuur en de rechtspraak in de Friese grietenijen (gemeenten). De elf Friese steden hadden burgemeesters.

In Utingeradeel was in 1851 Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt grietman. Hij werd toen de eerste burgemeester van Utingeradeel en bewoonde Andringastate. Hij overleed in 1872. Inmiddels was Bernhard Jouke Buma als burgemeester benoemd. In datzelfde jaar liet hij het huis Nieuw Bornia bouwen.

Nieuw Bornia is genoemd naar een huis van de familie Buma te Weidum. Dat huis heette Borniastate en is in 1864 voor afbraak verkocht. In 1868 was het inmiddels met de grond gelijkgemaakt. De familie noemde meerdere huizen Borniastate, zoals bijvoorbeeld in Huizum (Verlengde Schrans) bij Leeuwarden.

Nieuw Bornia werd achtereenvolgens de ambtswoning van de burgemeesters Bernhard Jouke Buma, Eco Haisma Mulier, Arnold Gerhard Smijter, Cyprianus Johannes van der Veen en Roelof Brinkhuis.

In 1914 ging de burgemeester het pand Weaze-Westein 14 bewonen en werd Nieuw Bornia een woning annex huisartsenpraktijk. Achtereenvolgens was het pand woning en huisartsenpraktijk van J.C. Wildervanck, A. Terpstra, C.P. van Heel en W.L. van der Torre. Het betrof zogenoemde apotheekhoudende huisartsen.

Toen Van der Torre in september 2001 naar Deventer verhuisde, kwam er een einde aan Nieuw Bornia als huisartsenpraktijk. Vanaf dat moment moesten de inwoners van Aldeboarn voor een bezoek aan de huisarts naar Akkrum.

Al vroeg, vóór de Reformatie, waren er in Aldeboarn anabaptisten of wederdopers. In 1549, drie weken voor Pasen, werden de broers Eelke en Feye in Leeuwarden gevangengezet. Zij werden gemarteld en gedood. Van hen wordt gezegd dat zij ‘leerende’ waren. Dat zou erop kunnen duiden dat er toen al een kleine gemeente was gevormd, maar zekerheid daarover bestaat niet. Het kan ook zijn dat zij rondtrekkende predikers waren. Op 23 april 1574 werd Reytze Ayesz vanwege zijn geloof om het leven gebracht.

Het eerste bekende schuilkerkje (fermanje) treffen we aan in 1612. Het huidige pand Doelhôf 7, samen met het pand dat daar direct achter ligt, was de eerste doopsgezinde kerk. In 1695 voegde de gemeente zich bij de Friese Sociëteit.

Gerben Thomas de Jong was een belangrijk figuur in het dorp. Naast het feit dat hij een brouwerij en een café had, was hij commandeur der walvisvaart. Hij was ook lekenpreker in de doopsgezinde gemeente. Het verhaal gaat dat in het kerkgebouw een houten verwulf moest worden gebouwd, zodat de voorganger beter te verstaan was. Toen Gerben Thomas met zijn schip in Amsterdam lag voor een reis naar Groenland, kocht hij daar een partij hout voor dit verwulf en liet dat verschepen naar Aldeboarn.

Deze eigengereidheid schijnt niet bij iedereen goed te zijn gevallen, want toen Gerben Thomas van de walvisvaart terugkwam, was er door onenigheid nog niets gebeurd. Uiteindelijk heeft Gerben Thomas met nog vijftig medestanders de doopsgezinde gemeente verlaten en een tweede gemeente opgericht. Zij noemden zich de Doopsgezinde Gemeente Het Nieuwe Huis. De achterblijvende gemeente noemde zich vanaf dat moment de Doopsgezinde Gemeente Het Oude Huis.

Aan de Weaze werd door de Doopsgezinde Gemeente Het Nieuwe Huis een kerk gebouwd, waarin in 1738 de eerste dienst werd gehouden. In 1856 betrok de Doopsgezinde Gemeente Het Oude Huis een nieuwe kerk aan de Andringastrjitte. Ds. Haga legde daar op 20 juli 1855 de eerste steen. In de kerk is een orgel aanwezig uit 1882, gebouwd door de firma Bakker & Timmenga te Leeuwarden.

Het schuilkerkje aan het Doelhôf verdween en het gebouw werd opgedeeld in woon- en winkeleenheden (Zevenhuizen).

In 1857 was ds. Klaas Roelofs Schuiling predikant van Het Oude Huis en sinds 1882 ook consulent bij Het Nieuwe Huis. Ds. Schuiling was een man van aanzien, niet alleen binnen beide doopsgezinde gemeenten, maar ook in het dorp. Al enkele jaren waren er pogingen gedaan tot vereniging van de beide gemeenten. Het eerste bericht hierover vinden we in een bijeenkomst op 29 december 1839 (Dagboeken van Lieuwe Jans de Jong, 1825–1855).

Tijdens een bijeenkomst van beide gemeenten werd een commissie samengesteld, waarbij elk Huis drie leden leverde. Dit gebeurde onder leiding van de toenmalige predikanten H. Haga (Het Oude Huis) en K.J. Haima (Het Nieuwe Huis). Het duurde echter nog tot 12 december 1886 voordat de samenvoeging een feit was. Op die dag passeerde bij notaris P.M.T. de Lange te Oldeboorn de akte tot vereniging. Ds. Schuiling speelde hierin een beslissende rol en werd de eerste predikant van de ‘Vereenigde Doopsgezinde Gemeente het Oude- en het Nieuwe Huis te Oldeboorn’.

Vanaf dat moment werden de diensten gehouden in de kerk aan de Andringastrjitte. De kerk aan de Weaze uit 1738 werd verkocht aan de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Gemeente te Oldeboorn voor een bedrag van ƒ 4.040,–.

In 1889 telde de Verenigde Doopsgezinde Gemeente 500 leden en was daarmee de grootste kerkelijke gemeenschap van het dorp. In 1966 werd de gemeente gefedereerd met zes omliggende gemeenten in de ‘Federatie Zeven Gemeenten’. Op 16 september 2001 werd de eenwording van de Doopsgezinde Gemeente Mid Fryslân gevierd. De kerk aan de Andringastrjitte doet sinds 2007 geen dienst meer en heeft nu een culturele bestemming. De doopsgezinden van Aldeboarn zijn voor hun diensten aangewezen op de kerk in Grou.

De Basiliskus dook al veel eerder in Fryslân op, nog voordat hij in Aldeboarn het leven kostte aan twaalf mannen, vier vrouwen en twee kinderen. Negen eeuwen daarvoor werd hij namelijk al gesignaleerd in Dokkum, rond het jaar 513. Wat het fabeldier in die negen eeuwen precies heeft uitgespookt, weten we niet. Wel staat vast dat hij een uitstapje maakte naar Utrecht: aan de Oudegracht is hij daar te zien op een gevelsteen.

Ook Zwolle kent de Basiliskus. Op het stadszegel staat namelijk Sint-Michaël afgebeeld, die het monster met zijn lans doodsteekt.

In 1413 verscheen de Basiliskus in Aldeboarn. Een plaatselijke glasblazer had in zijn zevende jaar een put geslagen, terwijl het gebruik binnen het gilde was om het bedrijf een jaar stil te leggen. Uit die put steeg een giftige damp op, zo dodelijk dat twaalf mannen, vier vrouwen en twee kinderen ter plekke omkwamen. Maar het bleef daar niet bij: de Basiliskus zelf verscheen in de put en trok zich terug in de kelder van de glasblazer.

De paniek was groot. Iedereen wist dat wie de ogen van de Basiliskus ontmoette, ter plekke zou sterven. Gelukkig woonde er in Aldeboarn een slimme en moedige jongen. Hij bedacht dat iemand geblinddoekt met een spiegel de kelder in moest gaan: als de Basiliskus zichzelf zou aankijken, zou hij meteen sterven. Niemand durfde zich vrijwillig te melden, totdat de jongeman zelf besloot het te doen. Zijn plan slaagde, en zo werd de Basiliskus verslagen. Over de glasblazer zelf horen we daarna niets meer.

Toch bleef het verhaal niet afgesloten. Want hoe het kan dat de Basiliskus vijf eeuwen later opnieuw in een varkenshok in de Friese Wouden opdook? Ach, een fabel zou geen fabel zijn als alles verklaarbaar was.

Kerkelijk gezien was Aldeboarn eeuwenlang een belangrijke plaats. De Sint-Pancratiuskerk fungeerde namelijk als moederkerk van het dekenaat Bornego. De Friese edelman en geschiedschrijver Jancko Douwama (ca. 1482–1533) noemt Oldeboorn in zijn Boeck der Partijen zelfs “een oud en groot dorp” met “een cathedrael kercke”. Die ‘cathedrale kerk’ was de Sint-Pancratiuskerk, die samen met maar liefst veertig kerken en kloosters het dekenaat Bornego vormde.

Het exacte bouwjaar van de kerk is onbekend. Omdat zowel kerk als toren volledig in tufsteen waren opgetrokken, mag worden aangenomen dat de bouw uiterlijk rond 1200 heeft plaatsgevonden. Daarna raakte tufsteen uit de mode: het was kostbaar en werd verdrongen door baksteen (de zogenoemde kloostermoppen), waarvoor de klei ruimschoots voorhanden was.

Een aanwijzing voor de vroege geschiedenis van de kerk vinden we in 1243, toen de bisschop van Utrecht de Sint-Pancratiuskerk “met al haar toebehoren” overdroeg aan de commanderij van de Duitse Orde in Nes bij Akkrum. Wat er precies met die toebehoren werd bedoeld, bleef aanvankelijk onduidelijk. Toen bisschop Guy van Henegouwen in 1315 de schenking ongeldig verklaarde omdat deze nooit officieel was geratificeerd, werd duidelijk wat ermee werd bedoeld: alle dochterkapellen van de Pancratiuskerk werden opgesomd. Het bleken er 38 te zijn, verspreid over de grietenijen Utingeradeel, Haskerland, Eangwirden en Opsterland.

De laatste katholieke pastoor van Aldeboarn was Nicolaus, die in functie was tot 31 maart 1580. Op die dag namen de Staten van Friesland een resolutie aan waarmee het katholicisme officieel werd verboden.

De toren en de legende van de Tuorkemjitters
In 1723 sloeg de bliksem in de kerktoren. Omdat deze onderdeel was van een ingebouwd westwerk, moest de hele constructie worden afgebroken. Pas in 1736–1737 werd er een nieuwe toren gebouwd. Aan die bouw kleeft een bekende Boarnster legende: die van de Torenmeters (Tuorkemjitters) en de Touwsnijders (Lyntsjesnijers).

De Boarnsters wilden van de gelegenheid gebruikmaken om de hoogste dorpstoren van Fryslân neer te zetten. Destijds stond die in Tzum, dus besloten zij de hoogte daar stiekem op te meten. Een groep Boarnsters reisde af, kreeg met een smoes toegang tot de toren en vierde hun ‘geslaagde missie’ met een borrel in de plaatselijke kroeg.

Het plan lekte echter uit. De huishoudster van de predikant hoorde van de metingen en vertelde dit aan haar werkgever. De predikant vroeg waar het meettouw lag en gaf opdracht er een flink stuk af te snijden.

Toen de Boarnster toren eenmaal voltooid was, bleek deze 46 meter en 5 centimeter hoog. De toren van Tzum is maar liefst 72 meter hoog. De Boarnsters moeten dus ruim 25 meter meettouw hebben gemist. Dat niemand dat bij thuiskomst had opgemerkt, doet vermoeden dat er diep in het glaasje is gekeken.

De toren staat 1,50 meter uit het lood. Tot 1991 verzakte hij jaarlijks circa 1 millimeter. In dat jaar is de toren gestabiliseerd en op ‘stoeltjes’ gezet. Daarna werd ook de klokkenstoel gerestaureerd en kon er weer een tweede klok worden geplaatst. Beide klokken waren tijdens de oorlog door de Duitsers geroofd. De grote klok, gegoten door Gherardus de Wou in 1526, keerde in 1946 terug. De kleine klok uit 1767 is verloren gegaan. Op 24 april 1992 werd een nieuwe kleine klok geplaatst, afkomstig uit Zaandijk, van een kerk die buiten gebruik was gesteld.

Opvallend is de Lodewijk XIV-ingangspartij, gemaakt door de Leeuwarder steenhouwer Johannes Hardenberch. De namen en wapens van de adellijke families die de bouw mede mogelijk maakten, zijn in een cartouche opgenomen. In het paneel daarboven staat vermeld dat Eekma en Brouwer kerkvoogden waren. Het geheel wordt bekroond met het dorpswapen.

Het wapen bestaat uit een naar rechts gekeerde varkenskop met daarboven links en rechts een klaverblad. Onderaan links en rechts staat een eikel, met in het midden opnieuw een klaverblad, alles in een rood veld. De varkenskop is het zogenoemde ‘Teunisvarken’ en gaat terug op het Anthoniusgilde.

Dit gilde komen we tegen in 1520, wanneer pastoor Galco Galiënus (meester Gaele) ervan wordt beschuldigd dat hij in het Leeuwarder Blokhuis overleg zou hebben gepleegd in de zaak van Jancko Douwama, die daarna was gevlucht om arrestatie te ontlopen. Toen de pastoor werd gevraagd wanneer dat overleg zou hebben plaatsgevonden, antwoordde hij dat hij op Sint-Anthoniusdag een mis had opgedragen ter ere van het St. Anthoniusgilde in Oldeboorn. Het gilde bestond uit ambachten en beroepen die direct of indirect met dieren te maken hadden, zoals leerlooiers, borstelmakers en slagers. Meester Gaele werd in de winter van 1528–1529 gedwongen afgezet wegens alcoholmisbruik. Jancko Douwama bleef hem in zijn geschriften ‘mijn pastoor’ noemen.

De heilige Anthonius
De heilige Anthonius leefde in Egypte (ca. 250–ca. 355) en wordt afgebeeld met een varken. De orde van de Anthonieten was een geestelijke broederschap die zieken verzorgde. Zij mochten in de steden waar zij werkten hun varkens vrij laten rondlopen als vergoeding voor hun verpleegzorg. Vandaar dat Sint-Anthonius met een varken wordt afgebeeld.

De huidige kerk is op 11 november 1753 ingewijd door ds. Johannes Ratelband uit Leeuwarden. De eigen predikant, Martinus van der Vegt (1706–1753), was kort daarvoor overleden. In 1779 kreeg Lambertus van Dam opdracht van grietman Lycklama à Nijeholt om een orgel te bouwen. Het werd het eerste orgel dat Van Dam als zelfstandig orgelbouwer vervaardigde: een tweeklaviers orgel met aangehangen pedaal. De kas en het snijwerk zijn van Lubertus Bekenkamp. De musicerende engelen op het rugwerk zijn van de uit Sneek afkomstige beeldhouwer Mathijs Ankringa en werden in de jaren 1806–1807 geplaatst. Of hij, dan wel Lubertus Bekenkamp, ook de drie vrouwfiguren op het hoofdwerk heeft gemaakt, is niet bekend.

In de kerk bevindt zich een preekstoel, gemaakt door de plaatselijke timmerman Jan Binnes in 1753. Het rococo snijwerk en de trap naar de kuip zijn vervaardigd door de Leeuwarder Dirk Embderveld voor de prijs van 100 gulden. De hangende preekstoel heeft als kuipafsluiting een druiventros.

In 1755 bracht de Duitse rondreizende kunstenaar Johannes Bekker de plafondschildering aan, waarvoor hij 112 gulden en 9 stuivers ontving. Het plafond is waarschijnlijk in de Franse tijd overschilderd en was tot 1967 aan het oog onttrokken door witkalk. Vanwege de orgelrestauratie, uitgevoerd door Bakker & Timmenga uit Leeuwarden, besloot men ook het plafond te herstellen. Aanvankelijk werd voor het schilderwerk 5.000 gulden begroot. Toen schilder De Graaf uit Wanswerd echter het eerste engelenfiguurtje onder de witte verf vandaan haalde, bleek een volledige restauratie nodig, die uiteindelijk een veelvoud van het begrote bedrag kostte.

Omdat het bestek niet bewaard is gebleven, weten we niet wat Johannes Bekker precies heeft moeten uitbeelden. Op het plafond bevinden zich 46 engelfiguren, waarvan sommigen met een muziekinstrument en anderen slechts met een lendendoek. Verder zijn er 328 sterren te zien, met een zon in het koor en een wassende maan naast het orgel. Onder de zon vliegt een zwaluw omhoog in de zonnestralen.

In de kerk bevonden zich oorspronkelijk elf gebrandschilderde ramen, vervaardigd door Ype en Jurjen Staak uit Sneek. Wanneer en waarom deze zijn verdwenen, is onbekend. Tegenwoordig zijn er twee herdenkingsramen in het koor. Rechts bevindt zich een raam ter nagedachtenis aan burgemeester Paul Marinus van Baerdt van Sminia, die op 15 april 1945, de dag van de bevrijding van Fryslân, door de Duitsers in Sandbostel werd doodgeschoten. Dit raam is vervaardigd door Johan Groenestein (1919–1971). Het raam links in het koor is gemaakt door de Friese kunstenaar Jan Murk de Vries (1919–2015) en werd onthuld tijdens de herdenking van het 250-jarig bestaan van het kerkgebouw op 11 november 2003.

In 1939 is het woonhuis van de hoofdonderwijzer bij het voormalige schoolgebouw afgebroken. De laatste bewoner van dat pand was, zoals blijkt uit het bord aan de muur, een barbier (kapper). Het eerste bewijs van school en woonhuis vinden we in 1617. Dan is Harmen Folkerts ‘schooldienaar’. Hij blijft dat tot 1723. We vinden het schoolgebouw dan tussen de Hervormde kerk en de pastorie, dus op de plaats waar de voormalige school nu nog staat.

Het schoolgebouw en de woning komen we ook tegen in 1779, wanneer de toenmalige hoofdonderwijzer Bernard Rijks Spoelstra de eerste organist wordt op het Van Dam-orgel in de toen Hervormde kerk, nu de Doelhôfkerk. In de geschriften van Jancko Douwama (ca. 1482–1533) is een hoofdstuk opgenomen waarin hij instructies geeft aan zijn vrouw. Jancko Douwama schreef zijn geschriften in gevangenschap te Vilvoorde. In zijn instructie aan zijn vrouw schrijft hij dat het zijn grote wens is dat hun kinderen thuis blijven en de school afmaken alvorens zij elders gaan studeren. Hij adviseert zijn vrouw dat, wanneer de school is afgemaakt en de kinderen elders gaan studeren, er gekozen moet worden voor een Franse universiteit.

Uit de tekst van Jancko Douwama zou kunnen worden opgemaakt dat er toen al een schooltje in het dorp was. Of dat schooltje op dezelfde plaats heeft gestaan als het gebouw dat nu wordt verbouwd tot een multifunctionele woning, is niet duidelijk. Wanneer er in 1872 een nieuwe school wordt gebouwd, gaat dit gebouw in 1875 over naar het NUT en wordt het een ‘NUT bewaar-, naai- en breischool’.

Op 16 maart 1973 gaat het gebouw verder onder de naam Medium. Het wordt dan een jongerencentrum. Bij de opening sprak meester De Groot onder andere het volgende: “In 1875 stichtte het immer al voortvarende Boarn er een bewaarschool op initiatief van het Nut. Enkele jaren geleden kwam er een nieuwe Nutskleuterschool en nu, na de kinderen en de kleuters, is het pand voor de hokkelingen.” In 2016 kwam er een einde aan het jongerencentrum Medium. Het gebouw wordt nu een woning met een multifunctionele ruimte.

Op 20 oktober 1840 werd in het gezin van meester Van Tuinen, woonachtig in het ‘schoolhuis’, zoon Klaas geboren. Na de lagere school werd hij ambtenaar op de secretarie van de gemeente; Aldeboarn was toen de hoofdplaats van Utingeradeel. In 1870 ging hij studeren in Amsterdam, waar hij delfstof-, aard-, plant- en dierkunde studeerde. Een jaar later werd bij ds. Buwalda van Holkema een zoon geboren, Franciscus. Deze twee jongens zouden later belangrijke biologen worden.

Als lid van de Nederlandsche Entomologische Vereeniging werd Klaas de eerste die met behulp van een aluminiumcamera en een Zeiss-microscoop de zagen van bladwespen fotografeerde. Kopieën daarvan zijn te zien in Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema. Vooral in het buitenland trok dit veel aandacht. In 1880 kreeg Klaas toestemming van koning Willem III om Bisschop aan zijn achternaam toe te voegen. In 1879 had Klaas zijn verzoek onderbouwd met de opmerking dat “adressant zijn vader steeds bekend is geweest onder den naam van Harm Bisschop van Tuinen. Van adressants grootmoeder Johanna Maria Bisschop zijn niet dan verre bloedverwanten in leven”.

In de schoolarchieven wordt deze stelling echter niet bevestigd. Daarin treffen we alleen de naam Harm van Tuinen aan. Er gaat een verhaal dat Klaas zijn zinnen had gezet op een erfenis in de familie Bisschop. Door zijn voorliefde voor insecten werd hij in familiekringen ‘oom strontvlieg’ genoemd.

Het herbarium van Franciscus is door de familie Holkema verkocht aan Klaas en bevindt zich nu in Leiden (Naturalis), samen met het herbarium dat Klaas zelf heeft samengesteld. Overigens hebben beide jongens ook samen in de Wetering een herbarium aangelegd. De tuinen van beide families grensden aan elkaar en aan de Wetering. Het herbariumblad over de weegbree is door Naturalis in bruikleen gegeven aan Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema. Daar is ten behoeve van deze twee biologen een permanente expositie ingericht. Klaas werd medeoprichter van de Muziekschool in Zwolle en heeft veel gepubliceerd. Hij overleed kort voor zijn pensioen op 14 juli 1905.

Dit huis is de voormalige woning van de directeur van de Christelijke Basisschool. De laatste bewoner als directeur van de Christelijke Basisschool was meester Wybren de Glee. Hier stond eertijds de pastorie van de Nederlands Hervormde Gemeente. De laatste predikant die deze pastorie bewoonde, was ds. Arjen Buwalda van Holkema. In 1881 werd hij de eerste predikant die de Andringastate als pastorie ging bewonen.

Ds. Buwalda van Holkema was getrouwd met Trijntje Stam. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: een dochter en twee zoons. Eén van hen was Franciscus, geboren op 10 mei 1841. Ds. Buwalda van Holkema diende Aldeboarn van 1838 tot aan zijn emeritaat in 1885. Aldeboarn was zijn enige gemeente.

Op 28 oktober 1840 werd uit het huwelijk van schoolmeester Harmen van Tuinen en Trijntje Jans Bos een zoon geboren die de naam Klaas kreeg. Ds. Buwalda was getuige bij de geboorteaangifte van Klaas, en meester Van Tuinen was getuige bij de aangifte van Franciscus. Ongetwijfeld hebben beide jongens in hun jeugdjaren met elkaar gespeeld; de tuinen van de beide gezinnen grensden aan elkaar.

Beide jongens hadden een grote voorliefde voor de natuur. Samen legden zij een herbariumblad aan van de weegbree die zij in 1863 aan de Wetering vonden, “achter de pastorie”, zoals de notitie op het herbariumblad vermeldt. Dit herbariumblad is door Naturalis te Leiden in bruikleen afgestaan aan Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema. In dat museum is een permanente expositie ingericht over deze beide biologen.

Vroeger was het onderwijs een taak van de kerk. De geestelijken namen het onderwijs op zich. In de Middeleeuwen was Aldeboarn een belangrijke plaats. Kerkelijk was het de dekenaatszetel van het dekenaat Bornego. Op grond daarvan mag worden verondersteld dat er toen ook al een school moet zijn geweest.

Een aanwijzing in die richting treffen we aan in de geschriften van Jancko Douwama (ca. 1482–1533). Hij schrijft in gevangenschap te Vilvoorde aan zijn vrouw dat, als de kinderen de school hebben afgemaakt, zij verder moeten studeren in Frankrijk (zie hierover blz. 156 van Een man van eer, Martha Kist en Harmen Wind, 2003). Waar deze school heeft gestaan, weten we niet. Het kan ook zijn dat het onderwijs werd gegeven in een ruimte van de kerk die als schooltje was ingericht. De Sint-Pancratiuskerk, die toen stond op de plaats waar nu de Doelhôfkerk staat, was voor die tijd een grote dekenaatskerk. Maar ook dat blijft gissen.

De eerste schoolmeester die in de archieven wordt vermeld, is Harmen Folkertz. Hij was schoolmeester in Aldeboarn van 1617 tot 1623. Na de Reformatie ontstond er soms weerstand tegen het onderwijs. Volgens sommige rooms-katholieken werd er te veel onderwezen dat in strijd was met de leer van de moederkerk. In 1635 hield de ‘papist’ Wypke Tjaerds een zogenoemde ‘bijschoole’. Dit was tegen het zere been van de classis (het regionaal kerkelijk bestuur) Zevenwolden. Na bemoeienis van de classis werd van deze bijschool niets meer vernomen.

In 1866 deed zich opnieuw een probleem voor. Meester Van Tuinen liet de kinderen lezen “in godsdienstige boeken inhoudende Bijbelsche verhalen”. De schoolopziener, die een verslag van de schoolcommissie onder ogen kreeg waarin dit werd beschreven, richtte zich in een brief tot het college van burgemeester en wethouders met het verzoek de onderwijzer te wijzen “op zijn laakbare handelingen en hem te gelasten zich voortaan hiervan te houden”. Meester Van Tuinen verweerde zich fel tegen deze beschuldiging. Hij verwees naar de wet, waarin staat dat er moest worden opgeleid in alle christelijke en maatschappelijke deugden en dat niemand op enigerlei wijze aanstoot mocht nemen aan welk onderdeel van het onderwijs dan ook. In een gesprek tussen alle betrokkenen werd het probleem opgelost.

Hoe was de salariëring van de onderwijzer geregeld? De kerkvoogdij betaalde 280 gulden aan salaris. Daarnaast ontving de schoolmeester schoolpenningen, afhankelijk van het aantal leerlingen, en had hij vrij wonen. Na het vertrek van meester Van Tuinen kwam er een einde aan de salarisbetaling door de kerk.

Het schoolgebouw werd te klein en er moest een nieuwe school komen. Deze werd in 1872 in gebruik genomen. Meester Van Tuinen, vader van de bioloog Klaas Bisschop van Tuinen, heeft daar nog maar kort onderwijs kunnen geven, want in datzelfde jaar ging hij met pensioen. Het was, zoals omschreven in de wet van 1857, een neutrale school. De oude school ging over naar het NUT en werd een ‘bewaar-, naai- en breischool’. In 1922 werd de toenmalige Openbare Lagere School (school 1) ingrijpend verbouwd. Na de verbouwing waren er vijf lokalen en een gymnastiekzaal. In 1987 werd de huidige OLS De Boarne in gebruik genomen.

De schoolwet van 1857 maakte ook de oprichting van bijzondere scholen mogelijk. Deze scholen werden echter niet door de overheid gefinancierd. Gelijke financiering tussen openbaar en bijzonder onderwijs kwam pas in 1917 tot stand en werd vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet.

In 1887 lezen we voor het eerst dat er pogingen worden ondernomen om te komen tot een ‘School met de Bijbel’. Er blijken dan twee verenigingen te zijn die christelijk onderwijs in Aldeboarn willen realiseren. In 1935 fuseerden deze twee verenigingen. Al in 1888 werd gezocht naar een geschikt lokaal om onderwijs te kunnen geven. De voormalige pastorie van de Hervormde Gemeente werd daartoe aangekocht. Dat de school tussen twee andere scholen zou worden ingeklemd, werd geen bezwaar gevonden.

Op 10 juni 1889 werd de bouw van de eerste christelijke school gegund aan de plaatselijke timmerman Haasdijk. In 1913 werd deze school verbouwd en in 1951 werd een geheel nieuwe school gebouwd aan de Skoallereed/Súdkant. Deze school werd later verbouwd tot Dorpshuis De Jister en op 29 maart 1989 als zodanig in gebruik genomen.

In 1986 werd aan de Jancko Douwamastrjitte de christelijke basisschool De Finne in gebruik genomen. Deze kwam op de plaats van de NUTS-kleuterschool, die op 18 december 1972 werd geopend door hoofdleidster juffrouw Boersma. De kleuterschool kreeg de naam De earste wjukslach. De oude NUTS bewaar-, naai- en breischool kon op 16 maart 1973 in gebruik worden genomen als jongerencentrum Medium.

In de periode 1879–1882 kwamen de eerste zes zuivelfabrieken in Friesland van de grond. Het betrof particulier initiatief van zelfstandige ondernemers. In 1896 richtte G.K. Dijkstra in Aldeboarn het zuivelfabriekje De Pauw op. In 1886 werd de eerste coöperatieve zuivelfabriek opgericht; Wergea had de primeur. Drie jaar later volgde de oprichting van De Torenmeter in Aldeboarn. Op het hoogtepunt had 36% van de steden en dorpen in Fryslân een coöperatieve zuivelfabriek. Voor uitvoerige informatie over de zuivelgeschiedenis van Fryslân wordt verwezen naar de studie Zuivelfabrieken in Friesland van Karstkarel, Molema en Visser.

Op 29 maart 1900 kwam het eerste bestuur van de in 1899 opgerichte Coöperatieve Zuivelfabriek De Torenmeter bijeen. De acht mannen waren:
Luitzen Sytses Bottema (voorzitter), Herman Jongsma, Theunis Pieters Brouwer, Homme Aukes de Vries, Rients Tettes Hofstra, Bauke Baukes Dijkstra, Hotze Wybrens Brouwer en Lykle Oppedijk.

Aldeboarn beschikte op dat moment al over een zuivelfabriek: De Pauw, een particulier bedrijf dat in 1896 was opgericht. De acht mannen die de coöperatie hadden opgericht, gingen voortvarend te werk. Er werd een geschikt terrein gevonden aan de Tsjerkebuorren. Daarmee kreeg het dorp zowel aan de westkant als aan de oostkant een zuivelfabriek. Eén van de eerste foto’s van de fabriek, die in 1900 in gebruik werd genomen, dateert uit 1907.

De stoomzuivelfabriek begon met de productie van boter, kaas en melkpoeder. Met name de arbeidsintensieve ‘edammertjes’, zoals de kleine ronde kaasjes in de volksmond werden genoemd, rolden hier van de baan.

De fabriek is meerdere malen verbouwd en uitgebreid. In 1970 werd de fabriek onderdeel van Frico uit Leeuwarden. Reorganisaties en centralisatie troffen de plaatselijke fabrieken, met als gevolg dat de zuivelfabrieken geleidelijk uit het dorpsbeeld verdwenen. In veel dorpen waren de fabrieksschoorsteen en de kerktoren beeldbepalend. Soms bleef bij sluiting de karakteristieke schoorsteen gespaard, zoals in Easterlittens, maar meestal moest ook die verdwijnen. Zo verdween vaak ook de zichtbare zuivelgeschiedenis uit het dorp.

In 1978 viel het doek voor de Coöperatieve Zuivelfabriek De Torenmeter. In 1979 vestigde loonbedrijf Ark en Reau zich in het bedrijvencomplex. Nadat Ark en Reau verhuisde naar bedrijventerrein Bordego, werd het complex gesloopt en de grond gesaneerd. De karakteristieke directiewoning met het jaartal 1900 bleef, mede op initiatief van enkele dorpsbewoners en Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema, behouden. In 2009 kon het seniorencomplex It Molkfabryk in gebruik worden genomen. Zo leeft, misschien zonder dat men het beseft, de zuivelgeschiedenis van Aldeboarn nog altijd voort.

De zuivelfabriek is ook verbonden met de Friese taalstrijd. Op 12 augustus 1948 werden de ‘melktappers’ Wiebe van der Hoek en Jeen de Leeuw bekeurd door een controleur van de Keuringsdienst (nu de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). Van der Hoek had op zijn bussen ‘Molke’ staan en De Leeuw ‘Sûpe’. Volgens artikel 16 van het Melkbesluit had daarop ‘melk’ en ‘karnemelk’ moeten staan.

De bussen waren beschilderd op het binnenterrein van de zuivelfabriek. De toenmalige directeur maakte daarbij de opmerking: “Karnemelksegortpap, dat woord kan niet op de bus, Van der Hoek, dus dat komt goed uit.” De beide melktappers moesten voorkomen in Heerenveen, waar mr. S.R. Wolthers rechter was. De rechtszaak kreeg een bijna cabaretesk karakter. Uiteindelijk luidde de uitspraak: schuldig zonder oplegging van straf, wegens juridische onbelangrijkheid. De directeur van de fabriek merkte daarop op dat ‘sûpe’ en ‘molke’ er de volgende dag gewoon weer op zouden worden gezet, waarop Van der Hoek kort antwoordde: “Ja zeker.”

De zaak kreeg een vervolg toen Fedde Schurer, hoofdredacteur van de Heerenveense Koerier, zich op 22 oktober 1948 fel uitsprak. Volgens Schurer was het Melkbesluit bedoeld om de klant duidelijk te maken welk product hij kocht, en niet om ‘taalterreur’ uit te oefenen. “De wet is voor het volk, het volk niet voor de wet,” aldus Schurer. Hij pleitte ervoor de wet naar de geest toe te passen, of anders ook in het Fries vast te leggen.

Enkele jaren later, op 27 augustus 1951, laaide de taalstrijd opnieuw op toen de Lemster dierenarts Van der Burg werd beboet omdat hij een verboden weg gebruikte voor een spoedgeval. Tijdens de rechtszaak weigerde hij Nederlands te spreken en wilde Fries spreken. Hij kreeg een boete van zeven gulden, subsidiair drie dagen hechtenis. De boete werd direct betaald, maar de zaak was daarmee niet afgedaan.

Fedde Schurer publiceerde daarop het hoofdredactionele artikel De laatste man van de Zwarte Hoop?, waarin hij het optreden van rechter Wolthers scherp bekritiseerde. Ook journalist Tjebbe de Jong publiceerde een soortgelijk artikel. Beiden werden gedagvaard en op 16 november 1951 veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen. Buiten het Paleis van Justitie in Leeuwarden verzamelden zich grote groepen demonstranten. De zitting kon door ruimtegebrek niet worden bijgewoond, zelfs niet door de Friestalige pers. De onrust liep zo hoog op dat de politie het Wilhelminaplein moest ontruimen. Deze dag ging de geschiedenis in als Knuppelvrijdag en vormde een belangrijke aanzet tot de uiteindelijke erkenning van het Fries als tweede rijkstaal.

En dat alles begon op het binnenterrein van de zuivelfabriek, waar de melktappers Wiebe van der Hoek en Jeen de Leeuw hun bussen hadden voorzien van Friese teksten om duidelijk te maken wat er werd verkocht — precies de bedoeling van het Melkbesluit, aldus hun advocaat mr. J. van der Schaaf.

Franciscus ging wis- en natuurkunde studeren in Groningen. Na zijn kandidaatsexamen overlegde hij met professor Van Hall en werd besloten dat Franciscus een studie zou maken van de vegetatie op de Waddeneilanden. In de jaren 1866–1869 bestudeerde hij met “onuitputtelijke ijver en geduld” de plantenwereld op alle Waddeneilanden, waaronder Griend en Rottum, en verzamelde daar materiaal. Het doel was een dissertatie te schrijven onder begeleiding van professor Van Hall.

Franciscus kan worden beschouwd als een vroege plantensocioloog. Hij beschreef niet alleen de planten, maar ook de biotoop waarin hij ze aantrof. Van veel planten op de Waddeneilanden was hij de eerste vinder. Zo ontdekte hij op Texel, in de poelen van Het Groote Vlak, het doorschijnend fonteinkruid (Potamogeton coloratus). Deze vondst werd pas in 1978 bevestigd door de Friese onderwijzer en bioloog D.T.E. van der Ploeg. Het oorspronkelijke exemplaar bevindt zich in het herbarium van Naturalis in Leiden. Een andere primeur was de vondst van de cranberry (Oxycoccus macrocarpon), door Franciscus omschreven als “deze schoone nieuweling in de Europeesche flora”. Zijn ontdekking vormde het begin van de cranberrycultuur op Terschelling.

Tijdens het nakijken van de drukproeven van zijn dissertatie overleed Franciscus plotseling. Een hevige bloedspuwing maakte binnen een uur een einde aan zijn leven. Professor Van Hall voltooide het proefschrift, dat in 1870 postuum werd uitgegeven door Franciscus’ broer in Amsterdam. Franciscus overleed op 11 juni 1870 te Groningen en werd begraven op het kerkhof aan de zuidzijde van de toenmalige Hervormde Kerk, nu de Doelhôfkerk, bij zijn moeder Trijntje Stam. De beide graven zijn in de jaren veertig van de 20e eeuw geruimd.

Gondelfeart – deel 1

Voor 1850 diende elke kerkelijke denominatie voor haar eigen armen te zorgen. De grondwetsherziening van 1848 zou daarin verandering moeten brengen, maar dat liep anders. De eerste Armenwet, die in 1854 werd afgekondigd, regelde dat iedereen die niet bij een kerkelijke gemeenschap was aangesloten zich kon wenden tot de burgerlijke gemeente. Dit leidde hier en daar tot problemen. Gemeenten wilden alleen te hulp komen wanneer men binnen de eigen gemeentegrens was geboren. Het gevolg was dat velen toch een beroep moesten blijven doen op de diaconie van de kerken.

De Armenwet van 1912 voorzag in een grotere rol voor de burgerlijke gemeente. Met de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 werd financiële ondersteuning uiteindelijk van rechtswege een recht.

De diaconiehuisjes in Aldeboarn waren in handen van de diaconie van de Hervormde Gemeente. Zij bepaalden wie in aanmerking kwam voor bewoning. Ook verleende de diaconie financiële ondersteuning of betaalde zij zaken, zoals turf, zodat de kamer in de winter enigszins kon worden verwarmd. Bijzonder is het verhaal van Dieuke Egberts Bouma, die in augustus 1908 een Bijbel bracht bij ds. P.J. Raap (1896–1943). De Bijbel werd geschonken uit “dankbaarheid voor de hulp en ondersteuning die zij gedurende vele jaren van de diaconie heeft ontvangen”, aldus de tekst die ds. Raap in de Bijbel heeft geschreven. Deze Bijbel ligt nu op de avondmaaltafel in de Doelhôfkerk.

In 1939 staat in een verslag van het NUT dat er in het dorp veel armoede, gebrek, werkloosheid en honger was. Veel inwoners van Aldeboarn ontvingen steun van de diaconie of van de Armenvoogden.

Anders dan in Holland hadden de spinhuizen in Friesland de functie van een werkhuis. In het spinhuis werd gesponnen, geweven en gebreid. Later gebruikte de doopsgezinde gemeente het spinhuis als armhuis, al woonden er niet altijd behoeftige mensen, gelet op de huurprijs. In 1829 was het spinhuis nog eigendom van de Doopsgezinde Gemeente Het Oude Huis. Vanaf 1884 werd alles particulier bezit. De naam Spinhússtege houdt deze geschiedenis nog steeds in ere.

De armenvoogden hadden op sommige plaatsen het recht van tolheffing, zo ook in Aldeboarn. In 1729 ging de tolheffing van de Grietmansbrug (de middelste brug over de Boarn) over naar de Armenvoogden. Vanaf dat moment werd tol geheven bij alle drie bruggen. De heffing bestond uit acht penningen voor schepen met liggende mast en drie stuivers voor schepen met staande mast, alles “heen ende weder”. Omdat de bruggen ook onderhoud vergden, werd er een schaduwboekhouding bijgehouden. Voor alle schepen werd het tarief “heen ende weder” geheven, maar men noteerde welke schepen alleen ‘heen’ en welke alleen ‘weder’ kwamen. Het verschil in opbrengst werd in de schaduwboekhouding vastgelegd. Zo konden de armenvoogden zowel de armenzorg bekostigen als de bruggen onderhouden.

De diaconiehuizen werden in 1889 verbouwd tot Het Armhuis. Bijzonder is dat de ‘moeder van het armhuis’ kennelijk over enige medische kennis beschikte. Bekend is dat mevrouw B. Westerterp, één van de laatste ‘moeders’, deze bekwaamheid bezat. Toen in 1954 nog vijf personen werden verpleegd in het ‘Tehuis voor Ouden van Dagen’, zoals het toen werd genoemd, wilde de gemeente Utingeradeel hiervan af. Men wilde het complex verbouwen tot zelfstandige woningen. Op grond van de Armenwet van 1912 was de gemeente inmiddels eigenaar.

In de stukken van de gemeenteraad van 26 februari 1954 vinden we interessante gegevens. Het aantal verpleegden was in 1950 nog tien, in 1951 negen, eind 1952 zeven, eind 1953 zes en in 1954 nog slechts vijf. Ook over de verpleegprijs geven de raadsstukken inzicht. Over 1950 en 1951 bedroeg deze 1.200 gulden, oplopend tot 1.500 gulden in 1953. Voor 1954 was 2.000 gulden in de begroting opgenomen. De netto kosten voor 1954 werden geraamd op 10.000 gulden.

De gemeente wilde de vijf overgebleven verpleegden elders onderbrengen, mits daar “gelijkwaardige” zorg aanwezig was. De enige dame kon worden geplaatst in Beekbergen, de vier mannen in Friesburg te Heerenveen. De totale kosten bedroegen 6.500 gulden. De besparing in het eerste jaar was daarmee slechts 3.500 gulden, aldus de toelichting aan de raad. Overigens was ‘de moeder’ in vaste dienst en zou zij pas op 9 augustus 1955 haar pensioenrechten ontvangen.

De gemeenteraad besloot overeenkomstig het voorstel van burgemeester en wethouders, wat inhield dat “al hetgeen te doen wat nodig is om te komen tot opheffing van het Tehuis voor Ouden van Dagen in Oldeboorn”. Zodra de vijf verpleegden waren overgebracht, werd het complex verbouwd tot afzonderlijke woningen. En zo is het geschied.

Gondelfeart – deel 2

Op 1 augustus 1815 is in Aldeboarn een departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgericht, kortweg het NUT. Daarmee was het één van de eerste departementen in Friesland. Aan het eind van de vorige eeuw is het departement opgeheven en is men als zelfstandige vereniging verdergegaan. Momenteel zijn er gesprekken gaande om het NUT en Doarpsbelang samen te voegen.

In november 1839 kwam het bestuur van het NUT in vergadering bijeen. In het verslag staat te lezen dat er in het dorp veel “armoede, gebrek, werkloosheid en honger” werd geconstateerd. Velen kregen steun van de kerkelijke diaconieën en de Armenvoogden, maar dat was volstrekt onvoldoende om de problemen het hoofd te bieden. Als het NUT een vorm van werkverschaffing zou kunnen opzetten, zou dat een positieve bijdrage kunnen leveren aan het verzachten van de noden.

Een huis aan de Brittenburg, eigendom van notaris Wybren Arend Evertz, zou kunnen worden gehuurd voor 60 gulden per jaar. Eerst werd een naaischool voor min- en onvermogenden opgericht, gevolgd door een touwpluizerij in samenwerking met de Commissie voor de instelling van werkverschaffing. Directeur van de instelling werd notaris Evertz, zoals in het verslag staat vermeld, “tot diens overlijden”.

Op 19 juli 1875 overleed Evertz. Het bestuur van het NUT verwachtte dat hij het huis aan hen zou nalaten, maar dat was niet het geval. De zuster van Evertz, zijn enige erfgename, droeg de woning over aan het NUT. Deze gift werd geaccepteerd, hoewel het gebouw dringend aan opknapwerk toe was en de middelen daarvoor ontbraken. Met een gift en een lening van Jeanne Henriette van Vloten, douairière van jhr. Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt, de laatste grietman en sinds 1851 de eerste burgemeester van Utingeradeel, kon het huis worden opgeknapt.

De douairière was de laatste bewoonster van de Andringastate, het plein-afsluitende gebouw aan het Doelhôf. Na haar overlijden werd de Andringastate gekocht door de Nederlands Hervormde Gemeente en in 1894 grotendeels afgebroken, met uitzondering van de westelijke vleugel.

Het pand waar hier over wordt gesproken, moet een voorloper zijn geweest van wat later Ons Huis is geworden. Het huidige pand werd immers in 1880 gebouwd. Ook daar werd nog touw uitgeplozen. Dat uitgeplozen touw, meestal hennep, werd verkocht aan de marinewerf in Den Helder, waar het werd gebruikt om schepen te breeuwen: het dichtstoppen van de naden van houten schepen en deze vervolgens met pek bestrijken om ze waterdicht te maken. Of de kwaliteit van het geleverde pluizwerk uitzonderlijk goed was, of dat er sprake was van een vriendendienst, vermeldt de geschiedenis niet. Wel staat in het verslag van november 1839 dat Evertz iemand kende uit een zeeplaats die enige kennis had “omtrent ontleedkunde van geteerd touw en ook van slapping touw voor de grote scheepvaart”.

Kennelijk leverde de renovatie van het pand niet het gewenste resultaat op, want in 1880 werd het huidige pand in gebruik genomen. Hier bleven een naaischool en een touwpluizerij gevestigd. In 1914 wordt het gebouw aangeduid als “werkinrichting”. Ook toen was het nog een naaischool; in dat jaar treffen we nog een naaivrouw in het pand aan.

De naam Ons Huis kreeg het gebouw pas nadat de gemeenteraad van Utingeradeel op 29 juni 1960 besloot het oude gemeentehuis (1859–1932) af te breken. Dit gemeentehuis was in 1932 opgeheven en toen overgedragen aan het Departement Oldeboorn van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, dat het de naam Ons Huis gaf. Op de plaats van het oude gemeentehuis verrees in 1961 het nieuwe postkantoor. Het pand aan de Brittenburg werd toen het dorpshuis Ons Huis. Deze functie behield het tot 1988, waarna het pand werd verkocht en een woonhuis werd.

In 1884 richtte Murk Sypkes Bottema een margarinefabriekje op. Dit gebeurde in een tijd waarin boter en vet schaarse producten waren. In de ons omringende landen, zoals Duitsland, België en Engeland, heerste veepest. Dat had grote gevolgen voor de productie en afzet van boter en vet. In Frankrijk was het de scheikundige Hippolyte Mège-Mouriès (1817–1880) die het patent op margarine bezat. Dit patent werd gekocht door de familie Jurgens, die mogelijkheden zag in dit nieuwe product. Toch duurde het enkele jaren voordat margarine ook hier werd geïntroduceerd.

Ongeveer anderhalf jaar nadat de familie Jurgens met margarine begon, pakte ook de familie Van den Bergh de handschoen op. Het moet begin 1900 zijn geweest (Groen; 1902?) dat het fabriekje van Bottema werd gesloten. Vier medewerkers van het fabriekje verhuisden naar Rotterdam en traden daar in dienst bij de familie Van den Bergh. Volgens ingenieur L. Durksz van het toenmalige Landbouw Coöperatie Instituut te Groningen (1999) hebben deze vier medewerkers, in opdracht van Bottema, de receptuur ‘meegenomen’ naar Rotterdam.

Wanneer men deze feiten combineert, kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat het begin van de margarineproductie bij de familie Van den Bergh samenviel met de komst van de receptuur en de vier medewerkers uit Aldeboarn. De beide bedrijven voegden zich later samen tot Van den Bergh & Jurgens en werden uiteindelijk onderdeel van Unilever. In 2018 kwam ook in Rotterdam een einde aan de margarineproductie. Unilever splitste het bedrijf op en 147 medewerkers verloren hun baan.

In 1890 had het margarinefabriekje van Bottema drie werknemers in dienst. In 1891 waren dat er vijf en in 1899 was dit aantal opgelopen tot negen. Er zijn aanwijzingen dat er vlak voor de sluiting elf werknemers actief waren. Van het fabriekje zelf is geen afbeelding bekend.

In de volksmond werd het fabriekje het ‘Knoeifabriekje’ genoemd. Dit had waarschijnlijk te maken met de hygiëne, maar het is ook mogelijk dat het onbekende product niet in de smaak viel. Vrachtrijders en schippers brachten de geleverde margarine regelmatig terug met de boodschap: “Het is niet te eten.” Dan ging het product weer retour, want “se sille it frette” (ze zullen het eten) was de bekende uitspraak van Bottema — een kreet die destijds veel in het dorp te horen was.

Naast zuivelfabriek De Pauw was het margarinefabriekje opnieuw iets nieuws in Aldeboarn. Toen later ook de coöperatieve zuivelfabriek De Tuorkemjitter werd opgericht, was de nieuwigheid er snel af. Of de sluiting van het margarinefabriekje hiermee verband hield, blijft echter speculatie.

Al in de 16e eeuw is er sprake van een state op of rond de plaats waar later de Andringastate zou verrijzen. Hoe deze state eruit heeft gezien, weten we niet. Bij Winsemius in 1622 en Schotanus in 1664 komt de naam Andringastate voor.

In De Tegenwoordige Staat van Friesland uit 1788 lezen we over de Andringastate het volgende:
“Ten zuidwesten der kerk vindt men Andringa State, jaaren aan een bewoond door grietslieden uit het geslacht, en hetzelve overgegaan aan den tegenwoordigen grietman Lycklama van Nijeholt, die hier, voor 15 of 20 jaaren, een nieuw en prachtig huis heeft gebouwd.”

In 1768 koopt grietman Augustinus Lycklama à Nijeholt een perceel “oostelijk van de herberg De Zevenwolden”. Deze herberg, die in handen was van Livius van Andringa, was in 1757 afgebroken, maar de naam bleef kennelijk voortleven. Dit perceel zou de basis vormen voor de grote Andringastate. Hiervoor moesten echter nog vier woningen verdwijnen. De Andringastate werd het stamhuis van de familie Andringa en de woning van de grietman van Utingeradeel. Na het uitsterven van de Andringa’s kwam de state in handen van de familie Lycklama à Nijeholt. Overigens woonden de Andringa’s er niet altijd en waren zij ook niet aaneengesloten grietman. Dat had alles te maken met hun politieke opvattingen. De Andringastate wordt voor het eerst vermeld in de 15e eeuw.

In 1453 was Thiart Jorrits van Andringa grietman van Utingeradeel. Tot 1509 bekleedde steeds een lid van de familie Andringa dit ambt. Omdat de Andringa’s anti-Habsburgs waren, waren zij echter niet populair bij de regering in Brussel. Vanaf dat moment bekleedde de familie geen hoge functies meer. Pas in 1545 treffen we weer een Andringa aan als grietman; dan bewoont Jorrit van Andringa de state. Rond 1770 wordt de state volledig nieuw opgebouwd. Van dit gebouw bestaat een laat-achttiende-eeuwse tekening. Het huis was geheel onderkelderd en bestond uit een hoofdvleugel met verdieping, geflankeerd door twee lage vleugels die voor het hoofdgebouw uitstaken.

Van grietman naar burgemeester

De grietmannen en rechters zorgden voor het bestuur en de rechtspraak in de Friese grietenijen (gemeenten). De grietmannen werden bij toerbeurt gekozen of aangewezen door samenwerking van de stadhouder en de Gedeputeerde Staten. De elf Friese steden hadden burgemeesters. De Gemeentewet van Thorbecke, afgekondigd in 1851, maakte van de Friese grietmannen burgemeesters. De laatste grietman van Utingeradeel en bewoner van de Andringastate was Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt. Hij werd in 1830 grietman en in 1851 burgemeester. Op 5 september 1872 overleed hij. Hij werd begraven op de begraafplaats te Nes bij Akkrum.

In 1869 liet Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt zijn testament opmaken bij notaris Evertz te Aldeboarn. Dit werd na zijn overlijden in 1872 geopend. Uit het testament blijkt dat hij eigenaar was van een boerderij op Easterboarn. Deze boerderij legateerde hij aan de gemeente Utingeradeel. De pachtsommen kwamen ten goede aan de gemeentekas, met uitzondering van drie verplichtingen. Eén daarvan luidde:
“de verplichting om van de inkomsten, ter bestrijding van hunne gewone behoeften, jaarlijks uit te keren: a. aan de Diaconie der Hervormde gemeente te Oldeboorn driehonderd gulden.”

De overige verplichtingen betroffen betalingen aan de Algemene Armenvoogdij van 500 gulden en aan de Werkinrichting te Oldeboorn van 100 gulden. Omdat zowel de Armenvoogden als de Werkinrichting verdwenen, bleef alleen de jaarlijkse uitkering aan de diaconie over. Deze verplichting ging via gemeentelijke herindelingen over naar de gemeente Boarnsterhim en later naar de gemeente Heerenveen, die deze op grond van wettelijke bepalingen doorschoof naar Leeuwarden. In goed overleg tussen alle betrokken partijen werd deze gemeentelijke verplichting, voortvloeiend uit het testament van Lycklama à Nijeholt, na 145 jaar op 21 juni 2017 afgekocht.

Na het overlijden van Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt bleef zijn echtgenote, douairière Jeanne (Johanna) Henriëtte van Vloten, de state bewonen. Zij overleed op 27 oktober 1881 en werd eveneens begraven op de begraafplaats te Nes bij Akkrum.

De Andringastate werd daarna aangekocht door de Nederlands Hervormde Gemeente, die er een pastorie, consistorie en een woning voor de koster van maakte. De eerste predikant die hier zijn intrek nam was Arjen Buwalda van Holkema. Dit duurde niet lang, want in 1894 werd de state, op de westgevel na, afgebroken. Het vrijkomende materiaal werd gebruikt voor de bouw van een nieuwe pastorie.

De eerste predikant die deze nieuwe pastorie bewoonde was ds. P.J. Raap, die de gemeente diende van 1896 tot 1943. Hij ligt begraven aan de oostzijde van de kerk. De laatste predikant die de pastorie bewoonde was ds. A.K.L. Bloem, die hier stond van 1966 tot 1973. Toen in 1973 de Hervormden en Gereformeerden als eerste gemeente in Friesland Samen op Weg gingen, werd de gereformeerde pastorie aan de Wjitteringswei de woning voor de predikant. De hervormde pastorie werd omgebouwd tot verenigingsgebouw. Na een prijsvraag kreeg het de naam It Andringahûs. Zo leeft de naam van de state die hier ooit heeft gestaan tot op de dag van vandaag voort.

De bewoners van Weaze 30
Daar waar nu het pand Weaze 30 staat, stond in 1757 een ander huis. Dat werd in dat jaar gekocht door de gebroeders Pieter Teunis en Klaas Teunis de Jong. Zij kochten het voor 450 gulden van Tiemke Jelles. Pieter en Klaas waren zonen van de plaatselijke chirurgijn Teunis Jacobs. Het aangekochte huis werd tot de grond toe afgebroken en vervangen door een nieuw pand, dat voor het eerst in 1762 kon worden betrokken.

Klaas Teunis en zijn vrouw Marijke Klazez waren de eerste bewoners. Klaas Teunis was veenbaas in Gersloot. Toen hij in 1765 overleed, bleef zijn weduwe tot haar dood in het huis wonen. Haar erfgenamen verhuurden de woning daarna aan zilversmid Jacob de Nes en aan Hette Douwes Wiersma, een boer in ruste. Zij bewoonden het huis in 1805, toen het nog eigendom was van de familie De Jong.

In 1807 kocht Jacob Klaezes de Jong, een zoon van Klaas Teunis, zijn broer en zusters uit en betrok hij zelf de woning. Hij woonde er nog in 1832 en noemde zich toen “kalkbrander”. In 1884 was Teunis Kuipers bewoner. Hij was tevens gemeenteontvanger; zijn kluis bevindt zich in Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema. Zijn weduwe woonde er in 1914 nog. Later werd Kornelis Brouwer bewoner.

In 1956 betrok schoolmeester en componist Paulus Folkertsma (1901–1972) het huis. Hij huurde het van Richtsje Kuiper, één van de dochters van Teunis Kuipers. Na de dood van Paulus Folkertsma bleef zijn weduwe Helga Khek hier wonen. Toen Richtsje Kuiper in 1958 overleed, bood notaris Vellinga de woning namens de erfgenamen aan de gemeente Utingeradeel aan voor 4.000 gulden. Op 30 december 1958 kwam het pand in eigendom van de gemeente.

Op 17 november 1972 werd het pand officieel ingeschreven als monument. Bij de gemeentelijke herindeling van 1983 ging het over naar de nieuwe gemeente Boarnsterhim. Het gemeentebestuur van Boarnsterhim besloot enkele jaren later het pand te verkopen. Toen ging het bijna mis. Op 8 en 23 maart 1989 werd het pand geveild en kwam het voor 50.000 gulden in handen van een combinatie van plaatselijke huiseigenaren. Vanwege de bijzondere tegeltableaus in het huis bracht met name de toenmalige directeur van het Keramiekmuseum Princessehof de Vereniging Hendrick de Keyser op het spoor van deze woning. De vereniging stond voor de taak het pand uit handen van speculanten te redden, die vanzelfsprekend een hogere prijs vroegen dan het bedrag waarvoor zij het zelf hadden verworven. Op 15 augustus 1989 kwam het pand in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser en werd het voor Aldeboarn behouden.

De bijzonderheid van Weaze 30
De topgevel is in 1961 herbouwd. In de decoratie aan de voet zien we het jaartal 1760, wat correct is. De initialen in de bekroning van de gevel (J.H.V. en F.W.) hebben echter niets te maken met personen die direct of indirect bij deze woning betrokken zijn geweest. Deze bekroning moet afkomstig zijn van een ander pand en is vermoedelijk al lang vóór de herbouw in 1961 geplaatst.

Het interieur van het huis is rijk betegeld. In totaal zijn er circa 2.000 tegels aanwezig, geleverd omstreeks 1762 door de Makkumer tegelfabriek van Yme Freerks Tichelaar. De gang heeft een lambrisering van witjes en bloemtegels, gelegd in een dambord- en pilaarmotief. Verschillende vertrekken zijn voorzien van tableaus met siervazen, bloemen en exotische vogels.

In de opkamer bevindt zich een groot tableau, speciaal voor dit huis vervaardigd, met een voorstelling van een laagveenontginning: de nering van de bouwheer. Daaronder bevinden zich drie genretafereeltjes die de zomer, winter en herfst verbeelden. Dit tableau is geschilderd door Dirk Jacobs Danser, die door de Harlinger schotel- en steentjesbakkerij was uitgeleend aan Tichelaar om deze opdracht uit te voeren. Danser was vooral bekend als schilder van scheepstaferelen, wat hem goed van pas kwam bij het verveningstableau. Enkele schilderijen van Danser bevinden zich in het Hannemahuis te Harlingen.

Het tableau bestaat uit 156 tegels (12 × 13). Het bovenste deel toont de laagveen-turfwinning. Opgebaggerde (gebeugelde) en met water vermengde ‘klijn’ wordt op het veld uitgespreid om tot turf te worden verwerkt. Ook de latere fase, de afvoer met de hektjalk met sprietzeil, is afgebeeld. In de verte is nog een tjalk met gaffelzeilen te zien. Dit deel stelt tevens het voorjaar voor. In de onderste helft zien we drie kleinere taferelen die de zomer, winter en herfst uitbeelden.

Opmerkelijk is dat in het gehele pand slechts één religieuze voorstelling is aangetroffen. Deze toont de engel Gabriël die Elisabeth aankondigt dat zij zwanger zal worden van een zoon.

Bij de restauratie in 2007 werd een interessante vondst gedaan: een behangsel uit de 19e eeuw dat werd aangetroffen op het schoorsteenstuk. Het betreft een romantisch tafereel, waarschijnlijk afkomstig uit de Frans-Algerijnse oorlog en te dateren rond 1830. In een barokke cartouche zien we twee Franse soldaten, waarvan er één in gesprek lijkt met een vrouw, mogelijk onderhandelend, gelet op de twee manden die zij draagt. De andere soldaat rust uit onder een palmboom.

Dit gebouw, tegenwoordig een woning, is in 1738 oorspronkelijk gebouwd als doopsgezinde kerk (vermaning). Vanaf dat moment had Aldeboarn twee doopsgezinde gemeenten, die elk over een eigen kerk beschikten. Een groep van ongeveer vijftig mensen onder leiding van Gerben Tomas Brouwer had zich afgescheiden en stichtte de Doopsgezinde Gemeente Het Nieuwe Huis. De oorspronkelijke gemeente ging verder als Het Oude Huis. Hoe zat dit?

Gerben Tomas Brouwer, ook bekend als Gerbrand, kocht in 1713 een brouwerij van Roelof Hendriks. Gerben was zoon van Tomas Goye en Rinske Sjoerds en stond bekend als een kleurrijk figuur in het dorp. Hij wist doopsgezinden te overtuigen en was naast brouwer ook walvisvaarder en voorganger (lekenprediker). In 1704 trouwde hij met Jeltje Tijsses uit Woudsend. De brouwerij, die ook vóór Gerbens aankoop al financieel slecht draaide, werd hem waarschijnlijk een blok aan het been.

In de jaren 1722 tot 1728 woonde Gerben op Ameland, waar ook zijn broer Sjoerd Tomas verbleef. Gerben was in die periode commandeur ter walvisvaart. Beide broers voeren voor reder Pieter Kool uit Beverwijk. Het verhaal gaat dat Gerben in deze jaren vijf walvissen heeft gevangen. Na zijn terugkeer in Aldeboarn werd hij al snel middelpunt van een conflict binnen de doopsgezinde gemeente.

De doopsgezinde gemeente van Aldeboarn behoort naar alle waarschijnlijkheid tot de oudste van Fryslân. In 1549 werden Eelke Fokkes en Feye Baukes, inwoners van het dorp, als martelaren ter dood gebracht. Eelke werd in Leeuwarden onthoofd en Feye kwam om op de brandstapel. Leenaart Bouwens, leerling van Menno Simons, noteerde dat hij vanaf 1566 in Oldeboorn 26 personen had gedoopt. Of er toen al een vermaning bestond, is niet met zekerheid vast te stellen. Wel werden er in 1612 al diensten gehouden in het pand aan het Doelhôf. Deze vermaning was duidelijk als schuilkerk gebouwd. In 1855, toen Het Oude Huis een nieuwe kerk betrok in de Andringastrjitte, werd de vermaning omgebouwd tot meerdere woningen en kreeg zij in de volksmond de naam Zevenhuizen.

Gerben was zich bewust van de slechte akoestiek in de vermaning aan het Doelhôf. Er werd regelmatig geklaagd dat voorganger en zangers slecht verstaanbaar waren. In 1725 werd besloten een verwulf aan te brengen. Gerben was inmiddels naar Amsterdam vertrokken en vandaar op doorreis naar Groenland voor de walvisvaart. Hij wist een geschikte partij hout te bemachtigen voor het verwulf en liet dit naar Aldeboarn verschepen. Dit leidde tot grote spanningen. Tijdens Gerbens afwezigheid ontstonden twee kampen: voor- en tegenstanders van de verbouwing. Het op eigen gezag aankopen van het hout speelde hierin ongetwijfeld een belangrijke rol.

In 1738 dreigde tijdens een vergadering een vechtpartij te ontstaan. Regnerus Lycklama à Nijeholt, een vrijgezelle ritmeester en latere grietman, werd gevraagd te bemiddelen. Hij woonde op de oude Andringastate. De bemiddeling leidde ertoe dat Gerben met ongeveer vijftig gelijkgestemden de doopsgezinde gemeente verliet. Hij kocht een huis aan de Weaze, bekend onder nummer E 75. Ook deze aankoop kent een bijzonder verhaal. Tjebbe Wigles, schoenmaker en eigenaar van het naastgelegen pand, kocht het huis voor 600 gulden, vermoedelijk in opdracht van Gerben. Het pand werd nog datzelfde jaar afgebroken en vervangen door een nieuwe vermaning. Daarmee was de Doopsgezinde Gemeente Het Nieuwe Huis een feit.

Van vermaning naar gereformeerde kerk
In 1857 deed predikant K.R. Schuiling zijn intrede in de Doopsgezinde Gemeente Het Oude Huis. Toen Het Nieuwe Huis in 1882 vacant werd, fungeerde ds. Schuiling tevens als consulent. Hij bleek al snel een verbindend figuur, een echte dorpsdominee. Zo probeerde hij in 1887 de gemoederen in het dorp te bedaren tijdens de onrust rond de hervormde predikant ds. Homoet. Nadat de ramen van diens woning waren ingegooid, was ds. Homoet het dorp ontvlucht. Ds. Schuiling schreef op 16 maart 1887 een brief aan alle dorpsbewoners, waarin hij opriep tot rust en verdraagzaamheid.

Na zijn vertrek naar Veendam in 1889 was het ds. Schuiling die erin slaagde de twee doopsgezinde gemeenten te verenigen. Pogingen daartoe waren al eerder ondernomen, voor het eerst in 1839. Uiteindelijk werd op 12 december 1886 ten kantore van notaris P.H. Themmen de Lang te Oldeboorn de akte van vereniging gepasseerd. De nieuwe naam werd Vereenigde Doopsgezinde Gemeente het Oude- en het Nieuwe Huis te Oldeboorn. De diensten werden voortaan gehouden in de kerk van Het Oude Huis aan de Andringastrjitte.

Op 5 oktober 1887 werd de kerk van Het Nieuwe Huis uit 1738 verkocht aan de Gereformeerden voor 4.040 gulden. Tot dan toe kerkte deze gemeente op Weaze–Eastein, het huidige nummer 3. Kort voor de verkoop werd de lichtkroon uit de kerk verwijderd en overgebracht naar de kerk in de Andringastrjitte.

Toen in 1973 de Hervormde Gemeente en de Gereformeerde Kerk als eerste gemeenten in Friesland Samen op Weg gingen, kreeg deze kerk de naam Weaze tsjerke. Dat bleef zo tot 1992. In dat jaar werd de kerk, inclusief orgel, verkocht en kreeg het gebouw een woonfunctie. De buitengevel heeft in het kader van het beschermd dorpsgezicht een monumentale status behouden. Van het voormalige interieur is het Vermeulen-orgel uit 1914 nog steeds aanwezig. Het orgel heeft één klavier en tien registers.

In het gele bakstenen gebouw bevindt zich bovenin een replica van een gevelsteen. Het betreft een afbeelding van het origineel dat te zien is in Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema.

Aan het gele bakstenen gebouw heeft deze steen nooit gezeten. De steen was, samen met een tweede, ingemetseld in het molenaarshuisje. De molen zelf stond achter het gele gebouw. De gevelsteen vermeldt het jaar 1761, wat erop zou wijzen dat de molen in dat jaar in gebruik is genomen. Jick Durks legde in 1761 de eerste steen voor de koren-, mosterd- en moutmolen, die later ook als oliemolen werd gebruikt. Deze zogenoemde Hooismamolen werd in 1916, op het onderstuk na, ontmanteld. In 1926 werd ook het onderstuk afgebroken.

In het molenaarshuis zaten twee gevelstenen in Lodewijk XV-stijl. De ene bevindt zich in Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema, de andere is ingemetseld in het molenaarshuis aan de Noorderplantage 5 in Leeuwarden. De gevelstenen zijn vervaardigd door Gerben Jelles Nauta uit Sneek. Het verschil tussen beide stenen zit in de vormgeving van de tekst, de afbeelding van de molen en het kleurgebruik. Dit roept de vraag op of deze molen een vervanger was van een eerdere molen, of dat de geschiedenis van verschillende molens door elkaar is gehaald.

Op de plaats waar de molen heeft gestaan, wordt voor het eerst in 1658 een molen genoemd, wanneer Reinier Jans als molenaar wordt vermeld. Het zou toen een roggemolen zijn geweest. In 1675 leenden Wiggle Ruurds en zijn vrouw Sytske Reiners 150 gulden voor de aankoop van onder meer een gortmolen. Later, wanneer Hooisma in 1876 eigenaar wordt, is sprake van een koren- en oliemolen. De geschiedenis is enigszins verwarrend, mede doordat er meerdere molens in het dorp hebben gestaan. Het is goed mogelijk dat geschiedschrijvers van weleer molens en eigenaren met elkaar hebben verwisseld. Ook prof. Martin Groen, die meerdere boeken schreef over de inwoners van Oldeboorn in de 17e, 18e en 19e eeuw, komt tot deze conclusie.

Kornelis Egberts Hooisma, geboren in 1848 te Terkaple, kocht in 1876 op een publieke verkoop de korenmolen met woonhuis en pakhuis van Jisk Dirks van der Meulen voor 5.100 gulden. In 1878 werd de molen verbouwd. In 1896 stichtte Hooisma een machinekamer, wat waarschijnlijk de reden was dat de wieken van de molen verdwenen. In 1926 werd ook de romp gesloopt.

Achter de molen stond het huis van de molenaar. In 1905 liet Hooisma dit huis afbreken. Ook een andere woning, die tussen het molenaarshuis en de Boarn stond, werd gesloopt. Op die plek werd een pakhuis gebouwd: het huidige gele bakstenen gebouw. Het pakhuis bood opslagruimte voor 500 ton graan. De eerste steen werd gelegd op 26 augustus 1905 door Sjoukje Kornelis Hooisma.

Het pand kreeg daarna verschillende bestemmingen. Zo gebruikte onder andere Bottema van de SPAR het gebouw als opslagruimte. In mei 1978 namen Tjallie en Monique Huizenga het pand in gebruik als eetcafé De IJzeren Man. Burgemeester J. Schurer verrichtte de opening; dit was zijn eerste publieke optreden als burgemeester van Utingeradeel, een functie die hij vervulde van 1978 tot 1982. Het eetcafé dankte zijn naam aan een levensgroot ijzeren harnas dat in de entree stond. Tijdens het diner waren er regelmatig live-optredens van lokale en internationale artiesten. Onder anderen The Dubliners uit Ierland traden hier op. Het eetcafé had echter geen lang bestaan en sloot in 1982 zijn deuren. Tegenwoordig heeft het pand een woonfunctie.

Voor de ambtswoning van de burgemeester staat een auto. Het is de auto van burgemeester Jan Lourens Thalen, de laatste burgemeester die deze woning als zodanig heeft bewoond. Thalen vertrok in 1956 naar Smallingerland en werd in Utingeradeel opgevolgd door Jacobus Anker, die in Akkrum ging wonen.

Na het vertrek van burgemeester Thalen werd de woning een dierenartsenpraktijk. Paul Humalda vestigde zich hier. Toen hij zijn praktijk om medische redenen moest beëindigen, verhuisde hij met zijn gezin naar Westein 14a. Westein 14 werd vanaf dat moment een woonhuis.

In 1934 werd E.N.W. Maas burgemeester van Weststellingwerf en verhuisde naar Wolvega. Als opvolger werd benoemd jhr. mr. Paul Marinus van Baerdt van Sminia. Hij was toen 33 jaar oud. Samen met zijn echtgenote, jonkvrouw Elisabeth van Geen, en hun twee zonen Hobbe en Frans, betrok hij de ambtswoning aan Weaze Westeinde 14.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kwam de burgemeester al snel in aanraking met het verzet. Op 4 mei 1944 werd Sjerp de Vries, een belangrijke verzetsman, door de Duitsers opgepakt en opgesloten in de cel van het gemeentehuis in Akkrum. Toen de burgemeester die avond na een bezoek aan Den Haag thuiskwam en hoorde van de arrestatie, ging hij naar Akkrum en liet Sjerp de Vries vrij. De burgemeester beschikte over een reservesleutel van de cel.

Door verraad van een politieman werd nog diezelfde avond het huis van de burgemeester omsingeld. In de ochtend van 5 mei 1944 ging de burgemeester nietsvermoedend naar het gemeentehuis. Hij werd daarbij gevolgd door vier Duitse landwachters. Bij aankomst in Akkrum werd hij gearresteerd. Zijn echtgenote en zijn zonen Hobbe en Frans, toen twaalf en tien jaar oud, hebben hem nooit meer teruggezien.

Via het huis van bewaring in Leeuwarden en kamp Amersfoort werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Neuengamme. Toen de Duitsers het plan opvatten om belangrijke gevangenen vanuit Neuengamme over te brengen naar Lübeck, koos de trein waarin zij zaten een route richting Bremen. Waarom dat gebeurde, is niet duidelijk. Het was 15 april 1945; Fryslân vierde die dag de bevrijding. De trein stopte bij Sandbostel, waar geen station was. De burgemeester werd samen met anderen uit de trein gehaald en in het weiland doodgeschoten.

Direct na de oorlog werd het massagraf geopend en zijn met behulp van onder andere het Rode Kruis de stoffelijke resten geïdentificeerd. De burgemeester werd herbegraven in het familiegraf te Oudkerk.

In het provinciehuis te Leeuwarden wordt de burgemeester herdacht met een plaquette, samen met burgemeester Van Haersma Buma van Wymbritseradeel, die eveneens in Neuengamme is omgekomen. Naast de familiewapens zijn ook de gemeentewapens afgebeeld.

Op 15 april 1948 werd in de kerk een herdenkingsraam onthuld door de beide zonen van de burgemeester, Frans en Hobbe. Het Van Sminia-gedenkraam is ontworpen door J. Groenestein (1919–1971) uit Amsterdam, na een prijsvraag en in overleg met professoren Willem van den Berg en H. Campendonk van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Het raam is door de ontwerper zelf gegrisailleerd en vervaardigd in Atelier Bogtman te Haarlem.

Het kunstwerk heeft een dubbele symboliek. De hoofdfiguur staat symbool voor het Nederlandse verzet en voor de persoon van jhr. mr. P.M. van Baerdt van Sminia. De twee vogels die door deze figuur worden bevrijd, vertegenwoordigen het bevrijde Nederlandse volk, maar ook de door Van Sminia bevrijde gevangene. De roofvogels symboliseren de bezetter, die terreur uitoefende en wraak nam op Van Sminia. Bomen en vee op de achtergrond verwijzen naar het Friese landschap en herinneren aan Van Sminia’s belangstelling voor de veeteelt.

Als dank voor de opdracht maakte Groenestein een schilderij voor het gemeentehuis in Akkrum waarin dezelfde basiselementen zijn verwerkt. Dit schilderij is tegenwoordig te zien in het Memorial Museum aan Bordego.

Routebeschrijving historische wandelroute Aldeboarn – startpunt Westein

Op de gevel van het zwarte houten hok van Westein 1001, aan de linkerkant van de weg, bevinden zich bord 25 en bord 26 (bord 26 is het startbord met route en moet nog geplaatst worden).

Loop over het Westein en de Weaze in oostelijke richting tot het eerste bruggetje. Steek de brug over en sla direct linksaf. Ter hoogte van Achterom 7 (Museum de Waag) vindt u, in het informatiebord, bord 27.

Vervolg uw weg langs het water naar de grotere brug. Aan de overzijde van de weg bevinden zich twee borden: bord 20 en bord 28.

Vervolg uw weg op het Achterom langs het water naar het oostelijke kleine bruggetje. Op het witte huis op de hoek, Brittenburg 1, bevindt zich bord 29.

Steek het bruggetje over en sla rechtsaf om uw weg in oostelijke richting op de Weaze te vervolgen. Ter hoogte van nummer 55 bevindt zich aan de waterzijde bord 30.

Vervolg uw weg in oostelijke richting op de Weaze. Aan de waterzijde ter hoogte van Weaze 66 bevindt zich bord 31.

Loop verder op de Weaze. Bij de kruising met de Ald Swettebuorren, op de gevel van Weaze 73, bevindt zich bord 32.

Loop verder op de Weaze in oostelijke richting en vervolg op het Eastein. Ter hoogte van Eastein 5, aan de waterzijde bij het ‘stap’, volgt bord 33 (dit bord zal geplaatst worden nadat de winnaar van 75 jaar Gondelvaart bekend is gemaakt).

Vervolg uw weg op het Eastein. Loop over het havenbruggetje richting de grote brug. Op het bebouwde-kom-bord bevindt zich bord 34 (startbord met route, moet nog geplaatst worden).

Loop verder in de richting van de grote brug. Deze brug is een kunstwerk op zich. Bij deze brug bevinden zich aan beide zijden van het water twee bordjes met een QR-code met meer informatie over het kunstwerk. Deze bordjes zijn niet genummerd, maar worden in dit document aangeduid als bord 35 (2×).

Loop onder de brug door, vervolgens eroverheen en daarna opnieuw onderdoor. Blijf de weg volgen tot u bij de Tsjerkebuorren komt. Steek de Tsjerkebuorren over en vervolg uw weg op de Súdkant. Na circa 100 meter bevindt zich aan uw rechterhand de kruising met de Skoallereed. Hier vindt u bord 36.

Vervolg uw weg op de Súdkant. Na circa 200 meter bent u bij het startpunt Súdkant, nabij het bushokje. Aan uw rechterhand bevinden zich bord 1 (startbord met route, moet nog geplaatst worden) en bord 2.

Loop in westelijke richting. Na circa 300 meter kruist u de Sparstrjitte. Op de hoek aan uw rechterhand ziet u bord 3.

Steek de Sparstrjitte over om op de Súdkant te blijven en vervolg uw weg in westelijke richting. Na circa 200 meter (vóór het kunstwerk met de lantaarnpalen) vindt u aan uw rechterhand bord 4.

Steek de kruising over. Loop 200 meter verder in westelijke richting op de Wjitteringswei, naar het einde van de bebouwde kom. Op de gevel van Wjitteringswei nummer 116 vindt u bord 5.

Keer om en loop in oostelijke richting over de Wjitteringswei het dorp weer in. Na circa 400 meter komt u bij de restanten van een oude sluis. Hier vindt u bord 6.

Vervolg over de stoep in oostelijke richting op de Wjitteringswei. Na 100 meter ziet u aan uw linkerhand huize Nieuw Bornia. Hier bevindt zich bord 7.

Loop verder in oostelijke richting. U bent nu op de Andringastrjitte. Ter hoogte van nummer 12 (tegenover de doopsgezinde kerk) vindt u op de muur bord 8.

Loop verder in oostelijke richting. Na 100 meter, op de hoek van café De Post, vindt u bord 9.

Loop in oostelijke richting naar de grote kerk. Aan de linkerkant van de toren vindt u bord 10.

Vervolg uw weg in oostelijke richting op de Tsjerkebuorren. Bij Tsjerkebuorren 6, aan uw rechterhand (tijdelijk op het hekwerk), vindt u bord 11.

Blijf aan de rechterkant van de weg. Bij de kruising met de Skoallereed, op het straatnaambord, vindt u bord 12.

Loop door in oostelijke richting op de Tsjerkebuorren. Bij de ingang van basisschool De Boarne vindt u bord 13.

Vervolg op de Tsjerkebuorren in oostelijke richting. Steek de weg over. Op de paal van de doodlopende straat vindt u bord 14.

Loop verder de doodlopende straat (Tsjerkebuorren) in tot aan het bankje bij de rivier de Boarn. Hier bevindt zich bord 15.

Loop dezelfde weg terug tot de ingang van de school. Sla hier rechtsaf richting Brittenburg. Op de schutting aan de rechterzijde bevindt zich bord 16.

Loop de steeg door naar het water. Nabij het ‘stap’ bevindt zich bord 17.

Loop met de weg mee naar links. Na circa 25 meter ziet u aan uw linkerhand bord 18.

Loop verder naar het bruggetje, steek dit over en sla linksaf. Loop circa 200 meter over de Weaze, tot vlak voor de grotere brug. Op de zijgevel van Weaze nummer 37 bevindt zich bord 19.

Steek het kruispunt over en vervolg uw weg op de Weaze. Ter hoogte van nummer 30 (het Folkertsmahûs) staat aan de waterzijde bord 21.

Vervolg uw weg op de stoep. Ter hoogte van Weaze 25 vindt u bord 22.

Loop verder over de Weaze en rechtdoor naar het Westein. Ter hoogte van nummer 10, aan de waterzijde, staat bord 23.

Loop verder op het Westein. Ter hoogte van nummer 10 bevindt zich, achter het hekje, bord 24.

Vervolg de weg op het Westein in westelijke richting tot het einde van het dorp. U bent nu terug bij het startpunt Westein.

Meindert Schroor heeft in 2000 een interessant boekje gepubliceerd in de serie Archeologie in Fryslân onder de titel Van Middelzee tot Bildt. Bladzijde 21 gaat in zijn geheel over de vorming van de Middelzee. Ten behoeve van het geheel wordt die pagina hier letterlijk overgenomen.

“Ten oosten van de latere Middelzee had de landschappelijke opbouw een geheel ander karakter dan in Westergo. Hier lag een brede kwelderwal die zich als een halve maan vanaf Aldeboarn en Grou noordwaarts via Leeuwarden tot aan Holwerd uitstrekte. Die kwelderwal was vanuit de Middelzee ontstaan, maar hoe ontstond de Middelzee? Daarvoor moeten we terug naar zo’n 1000 jaar voor Christus. Ten oosten van de Boarn of Bordine – de latere Middelzee – maakte de zee korte metten met de eerdergenoemde zoom van veen die zich langs en op het dekzand had gevormd. Ook hier moet een getijdengeul hebben gelegen die mogelijk een verbinding had met een oostelijke arm van de oer-Boarn, die zich vermoedelijk bij het eerdergenoemde Raerd afsplitste.

Het zoute water verschafte zich via geulen toegang tot dit veen. Omgekeerd zocht het door het veenpakket vastgehouden water bij lage waterstanden zijn uitweg via die geulen. Door de menging van zout en zoet trad een verbrakking op en werd op het veen een laagje klei afgezet, dat in de loop der tijd steeds dikker werd. In de nabijheid van de grote getijdengeul kon dankzij de kracht van de zeestroming de hiervoor genoemde brede kwelderwal ontstaan. Verder landinwaarts kwam het onder kalmere omstandigheden tot afzetting van zwaardere kleien langs kleinere geulen en prielen en op lagere delen van het veen.

Zowel de kwelderwal als de klei-op-veengebieden erachter trokken bewoning aan. Maar het was bewoning in het zuidwesten van Oostergo (d.w.z. Rauwerderhem en Idaarderadeel) en in het ‘binnenland’, meer noordwaarts achter de kwelderwal, die in problemen kwam. Dat had te maken met de exploitatie van het veen. Door de aanleg van sloten, de zogeheten ‘legen’, die tussen 200 voor tot 200 jaar na het begin van onze jaartelling werden gegraven, werd het veen ontwaterd en verloor het veel van zijn volume. Dat leidde tot het inzakken ervan en het dalen van het maaiveld. Deze kwalijke ontwikkeling werd verergerd doordat het ontwaterde veen nu ook werd blootgesteld aan de lucht (zuurstof), zodat de restanten uiteindelijk geheel verteerden.

In de derde eeuw na Christus kwamen de bewoners in de problemen, want door het dalen van het woongebied kreeg het zeewater opnieuw de kans binnen te dringen in een gebied gelegen ten zuiden en ten oosten van de brede kwelderwal. De vrijwel in zijn geheel gedaalde klei-op-veengordel tussen Sneek en Dokkum zoog zeewater aan, hetgeen uiteindelijk resulteerde in een verbreding van de oostelijke arm van de oer-Boarn en de brede getijdengeul in haar benedenloop, die destijds ter hoogte van de Terschellinger Boschplaat in de Noordzee uitmondde. Terwijl het bekken van Westergo zich gaandeweg opvulde en het kwelderland aldaar aangroeide, vormde zich op de grens met Oostergo een brede zeearm, die in de achtste eeuw als Bordine en veel later – toen hij inmiddels allang was ingepolderd – als Middelzee zou worden aangeduid. Het was daarmee de nieuwe uitmonding van het riviertje de Boarn geworden.”

De Boarn heeft ook een rol gespeeld in de geschiedenis van Bonifatius. Voordat hij op 5 juni 754 bij Dokkum wordt vermoord, heeft hij voet aan wal gezet in de omgeving van wat nu Aldeboarn is. Volgens Willibald, die de levensbeschrijving van Bonifatius heeft geschreven, kwam hij via het Almaere naar Fryslân om zijn tenten op te zetten aan de oevers van de Bordne. Dit water scheidde Oostergo en Westergo.

In Winsemius Cronique van Vrieslant (Franeker, 1622) lezen we:
“Het dorp Boorn heeft den name van den Borne oft bron / welcke een fonteyn ofte springende water is / boven welcke in voortijden de inghesetenen de kerkcke gebout hebben / als ten huydigen dage te sien is.”

Uit deze tekst kan worden opgemaakt dat in 1622 de bron aanwezig was. Of Winsemius dit uit eigen waarneming heeft opgeschreven, weten we niet. Ook de geschreven bronnen hierna, zoals Schotanus in 1664 en De Tegenwoordige Staat uit 1789, geven geen duidelijkheid over een eigen waarneming. Waarschijnlijk zijn de bronnen steeds overgenomen.

Het is jaren stil rond de bron. Halbertsma suggereert in De Vrije Fries van 1962 dat de oorzaak hiervan het vermoedelijk wegwerken van de bron of put is geweest bij de bouw van de huidige kerk in 1753. Dan wordt het 1954. In de periode januari 1954 tot 15 mei 1954 wordt het interieur van de kerk gesloopt en vervangen door het huidige meubilair. Alleen de Lycklama’s bank en de preekstoel blijven behouden. In het koor komt dan een verdieping, mogelijk een put of bron, aan het licht. De toenmalige timmerman Jelle Hofstra valt met één been in die verdieping. De toenmalige leerling-timmerman J. Dijkstra is daarbij aanwezig en heeft dit in zijn werkboekje in de week van 1 tot en met 6 februari 1954 genoteerd.

Van deze verdieping is toen ook melding gemaakt bij de provinciale archeoloog en hem is de mogelijkheid gegeven voor nader onderzoek naar deze verdieping in relatie tot hetgeen Winsemius heeft opgeschreven over de “fonteyn ofte springende water”. In De Vrije Fries van 1962 schrijft Halbertsma dat het te betreuren valt dat de in 1954 geboden kans niet is benut en dat een onderzoek naar de door Winsemius vermelde bron daardoor achterwege is gebleven.

In De Tegenwoordige Staat van Friesland, Westergo en Zevenwouden (1788) staat het volgende:
“Oudeboorn is begiftigd met eene openbaare Waag, mogende men geene goederen, die ’t Waagrecht onderhevig zyn, uit deeze Grietneny op eene andere plaats ter Waage brengen, dan na hier het Waagrecht reeds betaald te hebben.”

Bovenstaande betekende dat geen enkele inwoner van Utingeradeel – de toenmalige grietenij – zijn waren elders op de markt mocht brengen, zonder dat eerst het waaggeld in Aldeboarn was betaald. Het waaggebouw waar in 1788 over wordt gesproken, is het huidige gebouw waarin nu Museum Aldheidskeamer “Uldrik Bottema” is gevestigd. Dit gebouw stamt uit 1736.

Toen het werd gebouwd heeft de toenmalige grietman, Frederik van Sminia, de bovenverdieping in gebruik genomen als rechtskamer. Nadat het grietmanschap verdween en de door de Kroon benoemde burgemeester zijn intrede deed, werd de bovenverdieping gemeentesecretarie. Aan de zijkant van de waag, waar zich nu de ingang van het museum bevindt, was een aanbouw. Dat was het arrestantenverblijf, in de volksmond het hûnegat genoemd. Voordat men werd overgebracht naar Heerenveen, werd men hier tijdelijk opgesloten.

Maar ook de dorpsveldwachter maakte hiervan gebruik wanneer iemand zodanig overlast had veroorzaakt dat hij even moest ‘afkoelen’, of nuchter moest worden na overmatig drankgebruik. Na een paar uur in het hûnegat te hebben gezeten, werd diegene dan weer naar huis gestuurd.

In de eerste helft van de vorige eeuw werd door de gemeenteraad besloten dat in alle dorpen van Utingeradeel een openbaar urinoir geplaatst moest worden. In Aldeboarn kwam dat tegen het arrestantenverblijf aan, zoals op oude foto’s is te zien. Via het ontluchtingsraampje kon de gebruiker van het urinoir zelfs contact hebben met een arrestant.

Tot 1859 heeft de bovenverdieping dienstgedaan als gemeentesecretarie. Het arrestantenverblijf bleef daarna nog wel in gebruik. Vervolgens kreeg de waag verschillende functies. Zo was het in de Tweede Wereldoorlog een distributiekantoor en werd er later de openbare bibliotheek in ondergebracht. Sinds 1987 is het gebouw eigendom van de Stichting Aldheidskeamer “Uldrik Bottema” en is het ingericht als museum. Op de plaats van het voormalige arrestantenverblijf is de huidige ingang van het museum gerealiseerd, met hal en toilet. Het urinoir was toen al vele jaren verdwenen.

Voor zover de geschiedenis kan worden achterhaald, hebben er over de Boarn altijd drie bruggen gelegen. In het begin waren dit zogenoemde klapbruggen.

De buitenste bruggen werden de Oosterse brugge en de Westerse brugge genoemd. De grote brug, aanvankelijk ook een klapbrug, was de Grietmansbrug. Sinds de eerste helft van de 18e eeuw waren de bruggen eigendom van de Armenvoogden. Nadat zij het pachtrecht niet langer zelf uitoefenden, organiseerden zij voortaan op oudejaarsavond de verpachting. Dit gaf meer zekerheid over de inkomsten.

Uit stukken uit 1752 blijkt dat alle drie de bruggen toen zogenoemde valbruggen waren. Ook de “wippers van de kleine valbruggen” kregen schriftelijke instructies over hoe te handelen bij het “wippen van haar brug”. De grote valbrug werd in de jaren 1865–1866 vervangen door een ijzeren draaibrug. Deze heeft echter niet lang dienstgedaan. De brug kreeg veel te verduren door het “groote en allengs toenemende passagie van rijtuigen enz.” In 1892 kwam er opnieuw een draaibrug.

In de aanbesteding was een bijzondere bepaling opgenomen: de aannemer moest met een pontverbinding zorgen voor “een geschikte passage” voor mensen, rijtuigen en paard-en-wagens. Op 14 april 1945 werd de brug door vier Duitse soldaten opgeblazen. Volgens F.J. De Zee (oktober 1949) waren dit “de laatste Duitsers die men in het dorp had gezien. Tussen Oldeboorn en Akkrum stalen zij nog een fiets, omdat de Canadezen hen op de hielen zaten”.

Direct daarna werd een noodbrug aangelegd, geleverd door de provincie. Het betrof de oude brug die eerder had gelegen over de Opsterlandse Compagnonsvaart bij Oosterwolde. De gemeente schreef vervolgens een aanbesteding uit voor een nieuwe brug. Opnieuw werd gekozen voor een val- of wipbrug, die in 1949 in gebruik werd genomen.

Toen deze brug toe was aan onderhoud en het verkeer door het dorp inmiddels was afgenomen door de nieuwe verbinding Akkrum–Nij Beets–Tijnje (de Súdkant), die in 1964 met de bouw van de Skânsbrêge volledig gereedkwam, werd besloten de brug opnieuw te vervangen door een draaibrug. Zo kregen de drie bruggen weer dezelfde vorm. Ook de dorpsvernieuwing speelde hierbij een positieve rol. In 1984 werd besloten de ophaalbrug te vervangen door een draaibrug. De status van beschermd dorpsgezicht speelde hierbij een belangrijke rol. De nieuwe draaibrug werd een replica van de laatste draaibrug. Dat betekende ook dat de boog terugkeerde, waardoor het wapen van Utingeradeel weer zichtbaar werd.

Al jarenlang bestond de wens om vanuit het dorp het Lege Midden te ontsluiten. Hiervoor moesten echter aan de Weaze, ter hoogte van de grote brug, een aantal panden worden gesloopt. Die mogelijkheid deed zich voor in 1960. Het oude gemeentehuis (1859–1932), dat toen dienstdeed als dorpshuis “Ons Huis”, zou worden afgebroken. De naastgelegen panden, aanvankelijk eigendom van Bottema (Spar), waren inmiddels al in handen van de gemeente. Door de afbraak ontstond ruimte voor de Broekhústerwei en een nieuw postkantoor.

Op 29 juni 1960 besloot de gemeenteraad van Utingeradeel het gebouw “Ons Huis” te slopen. Dit pand had van 1859 tot 1932 gediend als gemeentehuis en verkeerde inmiddels in bouwvallige staat. Het gebouw stamde uit 1820 en werd dat jaar bewoond door de koopvaardijmatroos Sijbren Sijbrens Kuipers. In 1832 werd het pand bij notariële akte eigendom van jonkheer Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt, lid van de Ridderschap en van de Provinciale Staten van Friesland en grietman van Utingeradeel. Hij betaalde 2400 gulden.

Op 30 oktober 1844 verkocht hij het pand weer, al bleef het binnen de familie. Notaris W.A. Evertsz vermeldde in de koopakte dat het herenhuis, nieuw gebouwd in 1820 en later veel vertimmerd, werd verkocht aan jonkvrouw Valeria Juliana Dominica Justina Lycklama à Nijeholt voor 3000 gulden. Zij werd zelf de bewoonster.

Op 18 april 1859 schreef jonkheer W.H. Lycklama à Nijeholt een brief aan de gemeenteraad van Utingeradeel waarin hij het pand aanbood als schenking aan de gemeente, onder de voorwaarde dat het oude gemeentehuis met de waag zou overgaan in eigendom van het dorp Aldeboarn. De gemeenteraad besloot in augustus 1859 deze schenking te aanvaarden. In 1884 werd het gebouw ingrijpend verbouwd.

Toen in 1932 het gemeentehuis werd opgeheven en Akkrum de hoofdplaats van de gemeente werd, ging het pand over naar de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, departement Oldeboorn, en kreeg het de naam “Ons Huis”. In 1960 werd het gebouw gesloopt. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor het nieuwe postkantoor en de doorbraak naar het Lege Midden.

Op 10 januari 1864 brachten Waling Dijkstra en Gerben Colmjon hun programma Winterjûnenocht (winteravondplezier) in Aldeboarn. Het betrof een Friestalig, cabaretesk programma. Fokke Atzes Dijkstra, die na afloop de beide artiesten bedankte, deed dat geheel in stijl. In een lang gedicht, Dankbare Hulde aan de Fries spreker, noemde hij zo’n 150 inwoners van het dorp, ieder voorzien van zijn of haar beroep of ambacht. Alles op rijm. Deze “Hulde” is ook in brochurevorm verschenen.

Veel van de genoemde beroepen en ambachten kennen we tegenwoordig niet meer. Wie weet nog precies wat een boekenbode deed? Of een lantaarnopsteker, borstelbinder of zwartverver? In 1864 waren dit nog bekende beroepen, waarvan iedereen wist wat ze inhielden. In Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema is een beroepenwand ingericht, waarop beeldend kunstenaar Carla van der Heide vierentwintig van deze beroepen en ambachten uit het gedicht in beeld heeft gebracht.

De zwartverver, ook wel blauwverver genoemd, beoefende een lastig en specialistisch ambacht. Het verven van met name zwarte lakense pakken was feitelijk alleen goed mogelijk met indigo (blauw). Dit vereiste grote nauwkeurigheid en vakmanschap. Het verven gebeurde in grote houten kuipen en was een proces dat meerdere dagen in beslag nam. Na afloop werd de kleding in de Boarn uitgespoeld en vervolgens aan grote rekken gehangen om te drogen. Het uitspoelen vond plaats op een zogenaamde stap aan de Boarn.

In het huis aan de Weaze 45, bij de bank voor de woning, woonde O.S. Akkerman, de zwartverver. Aanvankelijk woonde hij op de hoek van Brittenburg en de Spinhússtege, waar hij een stelling aan de Boarn had. Na zijn verhuizing naar de Weaze 45 bouwde en vergrootte hij deze stelling achter zijn nieuwe woning. Achter Weaze 45 had hij bovendien een stomerij. Ook werd daar een speciale stap aan de Boarn aangelegd, die het spoelen van de kleding vergemakkelijkte.

De historische stap is later door de gemeente verwijderd tijdens de laatste renovatie van de walkant. Daarbij werd gekozen voor gelijkvormige, kleinere stappen. Hoewel het bestuur van Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema de gemeente heeft gewezen op het historische belang van deze stap, werd gekozen voor uniformiteit en veiligheid.

Gondelfeart – deel 3

Gondelfeart – deel 4

Brânwacht Aldeboarn

Gondelfeart – deel 5

Routebeschrijving historische wandelroute Aldeboarn – startpunt Eastein
bord 34 (startbord met route)

Loop in de richting van de grote brug aan uw linkerhand. Deze brug is een kunstwerk op zich. Aan beide zijden van het water bevinden zich twee bordjes met een QR-code met meer informatie over het kunstwerk. Deze bordjes zijn niet genummerd, maar worden in dit document aangeduid als bord 35 (2x).

Loop onder de brug door, vervolgens eroverheen en er weer onderdoor. Blijf de weg volgen tot u bij de Tsjerkebuorren komt. Steek de Tsjerkebuorren over en vervolg uw weg op de Súdkant. Na circa 100 meter is aan uw rechterhand de kruising met de Skoallereed. Hier bevindt zich bord 36.

Vervolg uw weg op de Súdkant. Na circa 200 meter bent u bij het startpunt Súdkant (nabij het bushokje). Aan uw rechterhand bevinden zich bord 1 (startbord met route, moet nog geplaatst worden) en bord 2.

Loop in westelijke richting. Na circa 300 meter kruist u de Sparstrjitte. Op de hoek aan uw rechterhand ziet u bord 3.

Steek de Sparstrjitte over om op de Súdkant te blijven en vervolg in westelijke richting. Na 200 meter (vóór het kunstwerk met de lantaarnpalen) vindt u aan uw rechterhand bord 4.

Steek de kruising over. Loop 200 meter verder in westelijke richting op de Wjitteringswei, tot het einde van de bebouwde kom. Op de gevel van Wjitteringswei nr. 116 vindt u bord 5.

Keer om en loop in oostelijke richting over de Wjitteringswei het dorp weer in. Na 400 meter komt u bij de restanten van een oude sluis. Hier vindt u bord 6.

Vervolg over de stoep in oostelijke richting op de Wjitteringswei. Na 100 meter ziet u aan uw linkerhand huize Nieuw Bornia. Hier bevindt zich bord 7.

Loop verder in oostelijke richting. U bent nu op de Andringastrjitte. Ter hoogte van nr. 12 (tegenover de doopsgezinde kerk) vindt u op de muur bord 8.

Loop verder in oostelijke richting. Na 100 meter, op de hoek van café De Post, vindt u bord 9.

Loop in oostelijke richting naar de grote kerk. Aan de linkerkant van de toren vindt u bord 10.

Vervolg in oostelijke richting op de Tsjerkebuorren. Bij Tsjerkebuorren 6 (aan uw rechterhand, tijdelijk op het hekwerk) vindt u bord 11.

Blijf aan de rechterkant van de weg. Bij de kruising met de Skoallereed, op het straatnaambord, vindt u bord 12.

Loop door in oostelijke richting op de Tsjerkebuorren. Bij de ingang van het Bernesintrum vindt u bord 13.

Vervolg op de Tsjerkebuorren in oostelijke richting. Steek de weg over. Op de paal van de doodlopende straat vindt u bord 14.

Loop verder de doodlopende straat (Tsjerkebuorren) in tot aan het bankje bij de Boarn. Hier bevindt zich bord 15.

Loop dezelfde weg terug tot de ingang van de school. Sla hier rechtsaf richting Brittenburg. Op de schutting aan de rechterzijde bevindt zich bord 16.

Loop de steeg door naar het water. Nabij het ‘stap’ bevindt zich bord 17.

Loop met de weg mee naar links. Na circa 25 meter ziet u aan uw linkerhand bord 18.

Loop verder naar het bruggetje, steek dit over en sla linksaf. Loop circa 200 meter over de Weaze, tot vlak voor de grotere brug. Op de zijgevel van Weaze nr. 37 bevindt zich bord 19.

Steek het kruispunt over en vervolg op de Weaze. Ter hoogte van nr. 30 (het Folkertsmahûs) staat aan de waterzijde bord 21.

Vervolg uw weg op de stoep. Ter hoogte van Weaze 25 vindt u bord 22.

Loop verder over de Weaze en rechtdoor naar Westein. Ter hoogte van nr. 10 aan de waterzijde staat bord 23.

Loop verder op het Westein. Ter hoogte van nr. 10 bevindt zich, achter het hekje, bord 24.

Vervolg de weg op Westein in westelijke richting tot het einde van het dorp. Op de gevel van het zwarte houten hok van Westein 1001, aan de linkerkant van de weg, bevinden zich bord 25 en bord 26 (bord 26 is een startbord met route en moet nog geplaatst worden).

Loop terug over Westein en Weaze in oostelijke richting tot het eerste bruggetje. Loop over de brug en sla direct linksaf. Ter hoogte van Achterom 7 (Museum Aldheidskeamer Uldrik Bottema) vindt u in het informatiebord bord 27.

Vervolg uw weg langs het water naar de grotere brug. Aan de overzijde van de weg bevinden zich twee borden: bord 20 en bord 28.

Vervolg uw weg op het Achterom langs het water naar het oostelijke kleine bruggetje. Op het witte huis op de hoek, Brittenburg 1, bevindt zich bord 29.

Steek het bruggetje over en sla rechtsaf om uw weg in oostelijke richting op de Weaze te vervolgen. Ter hoogte van nr. 55 bevindt zich aan de waterzijde bord 30.

Vervolg uw weg in oostelijke richting op de Weaze. Aan de waterzijde ter hoogte van Weaze 66 bevindt zich bord 31.

Loop verder op de Weaze. Bij de kruising met Ald Swettebuorren, op de gevel van Weaze 73, bevindt zich bord 32.

Loop verder op de Weaze in oostelijke richting. Vervolg op Eastein. Ter hoogte van Eastein 5, aan de waterzijde bij het ‘stap’, volgt bord 33 (dit bord wordt geplaatst nadat de winnaar van 75 jaar Gondelvaart bekend is gemaakt).

Vervolg uw weg op Eastein. Loop over het havenbruggetje richting de grote brug. U bevindt zich nu weer bij startpunt Eastein.

Keunstwurk Grutte brêge

Doarpshoeve – Einde wandelroute

Galerij

Ontdek de schoonheid van Aldeboarn in foto’s van dorpsgenoten en bezoekers.

Jouw foto ook op onze website?